Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
22 februari 2022 in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
1.De vordering
€ 509.461en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.Het verloop van de procedure
3.Standpunten van partijen
€ 357.791.
De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
- Girale betalingen “tikkies” € 296.691
- Salaris [bedrijf] € 120.439
- Contant uitgegeven € 92.331 (gecorrigeerd in € 91.331)
(1 januari 2016 tot en met 15 september 2020) niet iedere dag zal zijn gehandeld, zal de rechtbank voorzichtigheidshalve uitgaan van een periode van 3,5 jaren (3,5 x 365 dagen), waarin de veroordeelde en de voor hem werkende dealers gezamenlijk gemiddeld 50 wikkels cocaïne per dag verkochten. Voordeel uit de bewezenverklaarde verkoop van GHB en MDMA in die periode is, op basis van de beschikbare informatie, verwaarloosbaar en kan daarom bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing blijven.
wederrechtelijk verkregen voordeeldoor de rechtbank
geschatop: € 319.250 -/- € 19.250 =
€ 300.000.
€ 300.000.
6.Toepasselijke wettelijke bepaling
7.Beslissing
[veroordeelde]op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 300.000,00(driehonderdduizend euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
1080 dagen.