Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
21 juli 2020, 27 augustus 2020 en 3 september 2020 heeft de toezichthouder nogmaals geconstateerd dat de personenauto van [naam 3] bij het recreatieverblijf stond geparkeerd, hetgeen in lijn is met haar eerdere verklaring.
4 oktober 2018 aan hem zijn opgelegd. Een belanghebbende kan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:713, in de procedure tegen de invorderingsbeschikking echter in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Daarvan is in dit geval geen sprake.
Beslissing
mr. T.J.H. Verstappen, leden, in aanwezigheid van mr.W.I.K. Baart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2022.