ECLI:NL:RBNHO:2022:3077

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 april 2022
Publicatiedatum
8 april 2022
Zaaknummer
HAA 21/6931
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55b Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen toeslagherbeoordeling

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit over de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag in het kader van de herstelregelingen. De rechtbank verwijst naar een eerdere procedure (zaaknummer HAA 21/4770) waarin eiseres ook beroep instelde, maar toen niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de Belastingdienst nog niet in gebreke was.

In de huidige zaak heeft eiseres een ingebrekestelling gestuurd die op 24 november 2021 door de Belastingdienst is ontvangen, waarna zij op 14 december 2021 beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat deze ingebrekestelling prematuur was omdat de beslistermijn tot 24 december 2021 liep. Hierdoor was de Belastingdienst nog niet in gebreke op het moment van het instellen van het beroep.

Gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een beroep pas worden ingesteld nadat het bestuursorgaan in gebreke is gesteld en twee weken zijn verstreken. Omdat aan deze voorwaarden niet is voldaan, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Ferrier en griffier N. Joacim op 11 april 2022.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was en de Belastingdienst nog niet in gebreke was.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/6931

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: W. Kort)
en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief ontvangen op 14 december 2021 beroep ingesteld, wegens het niet tijdig nemen van een besluit inzake haar verzoek herbeoordeling kinderopvangtoeslag in het kader van de herstelregelingen kinderopvangtoeslag van 24 december 2020.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van Pro de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.
3. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
4. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. In de procedure met zaaknummer HAA 21/4770 heeft eiseres reeds beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van het besluit over de herbeoordeling. Eiseres is in die procedure niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep, omdat de Belastingdienst/Toeslagen toen nog niet in gebreke was tijdig een besluit te nemen. In die uitspraak heeft de rechtbank aannemelijk geacht dat de termijn om te beslissen nog liep tot 24 december 2021. De stukken waarop die beslissing rust behoren ook tot het dossier in de onderhavige zaak en er is geen aanleiding om anders te beslissen. De rechtbank neemt het oordeel over de beslistermijn tot 24 december 2021 en de daarvoor gegeven onderbouwing in de uitspraak in zaaknummer HAA 21/4770 dan ook over.
6. In het onderhavige beroep heeft eiseres een nieuwe ingebrekestelling verstuurd die door verweerder is ontvangen op 24 november 2021. Het beroep is ingesteld op 14 december 2021. De aan verweerder verzonden ingebrekestelling van eiseres is te vroeg geweest (prematuur) en ook was verweerder ten tijde van het instellen van beroep niet in gebreke tijdig te beslissen over de herbeoordeling van de situatie van eiseres. Gelet op het bovenstaande is niet voldaan aan het vereiste van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, en kon er dus nog geen beroep worden ingesteld wegens niet tijdig beslissen. Zoals in de uitspraak in zaaknummer HAA 21/4770 is vermeld kan eiseres verweerder pas effectief in gebreke stellen op het moment dat de beslistermijn verstreken is zonder dat er een besluit is genomen.
7. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Opmerking verdient dat verweerder in zijn brief van 4 januari 2022 aan de rechtbank heeft geschreven dat op die datum nog steeds niet beslist was, dat de beslistermijn op dat moment overschreden was en dat volgens verweerder daarom aan eiseres een dwangsom toegekend moet worden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ferrier, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.
Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.