Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, locatie Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.029645.21
Uitspraakdatum: 10 mei 2022
Tegenspraak ex artikel 279 Sv
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 april 2022 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum- en plaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J. Huibers en van hetgeen de raadsman van de verdachte, mr. I. Appel, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.
1.Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in de periode van 28 november 2019 tot en met 30 november 2019 te Haarlem meermalen, althans eenmaal (telkens) (als eigenaar van [naam], welk(e) bedrijf/organisatie ayahuasca retreats organiseerde) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk 25 gram ayahuasca, althans een hoeveelheid ayahuasca, bevattende (telkens) N,N-Dimethyltryptamine (DMT) heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd en/of verkocht en/of verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1000 gram ayahuasca bevattende (telkens) N,N-Dimethyltryptamine (DMT), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende N,N-Dimethyltryptamine (DMT).
2.Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3.Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verstrekken van telkens 25 gram (in totaal 350 gram) ayahuasca en aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid ayahuasca.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Allereerst heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte de cautie had moeten worden gegeven voorafgaand aan zijn verhoor als getuige op 30 november 2019, omdat hij reeds toen als verdachte kon en moest worden aangemerkt. Dit heeft volgens de verdediging tot gevolg dat de verklaring afgelegd op 30 november 2019 niet voor het bewijs kan worden gebruikt.
Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de door het NFI onderzochte ayahuasca de in de woning in beslag genomen voorwerpen betreft. Uit het onderzoekscertificaat van het NFI van 18 maart 2020 volgt slechts dat drie monsters zijn onderzocht, terwijl aan de hand van het dossier de herkomst van die monsters niet is vast te stellen. De monsters zijn niet te koppelen aan enig in beslag genomen goed. Nu aldus niet kan worden vastgesteld dat ayahuasca is verstrekt of voorhanden gehad, dient vrijspraak te volgen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
De bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de rechtbank de getuigenverklaring van de verdachte afgelegd op 30 november 2019 niet gebruikt voor het bewijs. Derhalve behoeft het hierop betrekking hebbende verweer van de verdediging geen verdere bespreking.
3.3.2
Bewijsmotivering
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.
In de periode van 28 november 2019 tot en met 30 november 2019 heeft in een woning in Haarlem een zogenoemde ‘ayahuasca retreat’ plaatsgevonden. Op 30 november 2019 is een deelnemer van de retreat overleden als gevolg van het gebruik van ayahuasca, in combinatie met andere middelen. De in de woning aangetroffen voorwerpen met daarin restanten van de (destijds vermoedelijk) ayahuasca zijn voor nader onderzoek in beslag genomen. De inbeslagname betreft drie voorwerpen, te weten: een kan (met goednummer PL1100-2019231084-1089469), een maatbeker/mengbeker (met goednummer PL1100-2019231084-1089472) en een één-liter fles (met goednummer PL1100-2019231084-1089468).
De rechtbank stelt voorop dat het de voorkeur geniet dat uit een strafdossier ondubbelzinnig de koppeling van door het NFI onderzochte monsters aan specifieke in beslag genomen voorwerpen volgt. Hoewel daarvan in dit dossier geen sprake is, kan naar het oordeel van de rechtbank echter evenwel worden vastgesteld dat de door het NFI geteste substanties, waarvan is geconcludeerd dat deze DMT bevatten, afkomstig zijn uit de voornoemde drie in de woning inbeslaggenomen voorwerpen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het NFI-certificaat het politiekenmerk van deze zaak vermeldt (2019231084), welk kenmerk tevens onderdeel is van de goednummers van de drie inbeslaggenomen voorwerpen. De kennisgevingen van inbeslagneming van de voornoemde drie voorwerpen vermelden bovendien dat deze goederen aan forensisch onderzoek moesten worden onderworpen. Voorts hebben zowel de verdachte en de medeverdachte als alle overige in de woning aanwezige personen verklaard dat ten behoeve van de retreat in de woning ayahuasca aanwezig was, terwijl de verdachte blijkens zijn verklaring bij de politie wist dat de ayahuasca DMT bevatte. Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook vast dat de door het NFI geteste ayahuasca, bevattende DMT, afkomstig is uit de in de woning in beslag genomen voorwerpen.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (onder meer) het opzettelijk verstrekken althans het aanwezig hebben van een hoeveelheid ayahuasca, bevattende DMT.
Uit de bewijsmiddelen (en dan met name de verklaring van 15 januari 2020 van de verdachte) leidt de rechtbank af dat de verdachte degene is die ayahuasca van een derde heeft verkregen, de ayahuasca heeft vervoerd en de deelnemers van de retreat, na vermenging van de ayahuasca met water, heeft voorzien van de ayahuasca (bevattende DMT). Uit de bewijsmiddelen volgt bovendien dat de verdachte dit alles heeft gedaan in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte, met wie hij de ayahuasca retreat heeft georganiseerd, zodat sprake is van medeplegen.
Nu de rechtbank bewezen acht dat de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte ayahuasca, bevattende DMT, heeft verwerkt, verstrekt en vervoerd, en het voorhanden hebben van ayahuasca enkel alternatief (en niet tevens cumulatief) is ten laste gelegd, komt de rechtbank – anders dan de officier van justitie heeft betoogd – niet toe aan de vraag of de verdachte zich (ook) schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van ayahuasca.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 28 november 2019 tot en met 30 november 2019 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander (telkens) opzettelijk een hoeveelheid ayahuasca, bevattende (telkens) N,N-Dimethyltryptamine (DMT) heeft verwerkt, verstrekt en vervoerd.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5.Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6.Motivering van de sanctie
6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de omstandigheid dat de verdachte niet meer dergelijke retreats organiseert en de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman heeft verzocht een voorwaardelijke straf op te leggen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich met de medeverdachte schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk een hoeveelheid ayahuasca (bevattende DMT) verwerken, verstrekken en vervoeren. De ayahuasca is door de verdachte verkregen van een derde persoon en is verstrekt aan de deelnemers van de ayahuasca-retreat die de verdachte en de medeverdachte in een woning in Haarlem hadden georganiseerd. DMT is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof, en is daarom opgenomen in lijst I van de Opiumwet. Hoewel de verdachte en de medeverdachte niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het tragische overlijden van een van de deelnemers van deze retreat, onderstreept diens overlijden het gevaar dat van de stof uitgaat.
De rechtbank weegt in het nadeel van de verdachte mee dat het verstrekken van de verboden ayahuasca een zeker bedrijfsmatig karakter had, nu ook deelnemers van buiten de persoonlijke kring van de verdachten deelnamen aan de ayahuasca retreat en die deelnemers de verdachten betaalden voor hun deelname. Verder is voor de strafoplegging van belang dat het om een meer dan geringe hoeveelheid ayahuasca ging, die de verdachte en de medeverdachte aan de deelnemers hebben verstrekt.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de ernst van het feit kan, anders dan de raadsman heeft betoogd en hoewel de verdachte blijkens zijn justitiële documentatie in Nederland niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld, niet worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een taakstraf van 120 uur passend en geboden is.
Verder acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken passend en geboden, met een proeftijd van twee jaar. Dit moet de verdachte ervan weerhouden zich voor het einde van de proeftijd wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt echter vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in dit geval is overschreden. In deze bepaling is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578).
De rechtbank stelt vast dat in dit geval de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 30 november 2019. De rechtbank neemt deze datum als aanvangsmoment van de redelijke termijn, nu op die datum de ayahuasca door de politie in beslag is genomen en de verdachte gevraagd is daarvan afstand te doen omdat het om een verboden middel gaat. Ook is op die dag een van de deelnemers van de retreat komen te overlijden. De verdachte kon vanaf die datum in redelijkheid de verwachting ontlenen dat jegens hem strafvervolging zou worden ingesteld. Nu het eindvonnis heden, op 10 mei 2022, wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat de lange duur van de procedure niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna een half jaar. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door een vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De rechtbank zal de duur van de taakstraf in dit geval dan ook verminderen tot 100 uur.
7.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
artikel 2 en 10 van de Opiumwet.
8.Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
100 urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 dagen hechtenis.
100 urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
twee weken, met bevel dat deze straf
in zijn geheel nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
twee weken, met bevel dat deze straf
in zijn geheel nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter,
mr. C.A.J. van Yperen en mr. M.E. Olthof, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier E.C.W. Coesel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 mei 2022.
Mr. M.E. Olthof en mr. Van Yperen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)