ECLI:NL:RBNHO:2022:4483

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 maart 2022
Publicatiedatum
20 mei 2022
Zaaknummer
9643021 \ WM VERZ 22-22
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WAHVArt. 14 WAHVBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging boete voor onjuist gebruik gehandicaptenparkeerkaart

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder dat een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar was. Betrokkene erkende de overtreding, maar voerde aan dat de bestuurder van het voertuig, zijn partner, wel in het bezit was van een geldige gehandicaptenparkeerkaart. Ter zitting werd dit bevestigd en ondersteund door een getuigenverklaring en een kopie van de kaart.

De officier van justitie handhaafde de boete en betwistte de koppeling tussen de kaart en het voertuig. De kantonrechter oordeelde echter dat, hoewel de kaart niet op de juiste wijze was gebruikt, de aanwezigheid van een geldige kaart reden was om de boete te matigen tot €30,00. Tevens werd het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie gewijzigd.

Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €1.164,75 toegekend aan betrokkene, verdeeld over de procedures bij de officier van justitie en de kantonrechter. De kantonrechter paste hierbij een nieuwe rechtspraak toe over de toekenning van punten voor telefonisch horen. De boete werd verminderd en het teveel betaalde bedrag moest worden terugbetaald.

Uitkomst: De boete voor onjuist gebruik van de gehandicaptenparkeerkaart is gematigd tot €30,00 en proceskosten zijn toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 9643021 \ WM VERZ 22-22
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 10 maart 2022
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
[betrokkene]
gemachtigde : I. Menalo, Appjection B.V. te Amsterdam.

Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 maart 2022. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is tezamen met betrokkene ook verschenen.
De vertegenwoordiger van officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. Ter zitting stelt de vertegenwoordiger van de officier van justitie aanvullend dat zij de overgelegde foto van de gehandicaptenparkeerkaart niet kan linken met het voertuig van betrokkene, zodat zij geen reden ziet tot matiging van de boete.
De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehand. parkeerkaart.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
Betrokkene erkent de gedraging, zodat deze vast staat, maar beroept zich op de omstandigheden van het geval. In de door gemachtigde overgelegde getuigenverklaring stelt de vriendin van betrokkene, mevrouw [Partner betrokkene], dat zij de bestuurder van het voertuig was en in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart. De gemachtigde van betrokkene heeft een kopie van de betreffende gehandicaptenparkeerkaart overgelegd. Ter zitting heeft betrokkene bevestigd dat mevrouw [Partner betrokkene] zijn partner is.
Nu de bestuurder van het voertuig in het bezit is van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, maar deze niet op de juiste wijze heeft gebruikt is de kantonrechter van oordeel dat de boete dient te worden gematigd tot € 30,00.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van officier van justitie zal worden gewijzigd.
Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt toegewezen, omdat betrokkene gedeeltelijk gelijk krijgt. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zullen die kosten worden vastgesteld op een bedrag van in totaal € 1.164,75. Daarbij is voor de procedure bij de officier van justitie een proceskostenvergoeding bepaald van € 405,75 (1,5 punten voor het beroepschrift en de hoorzitting, wegingsfactor 0.5, waarde per punt € 541,00) en voor de procedure bij de kantonrechter een proceskostenvergoeding van € 759,00 (2 punten voor het beroepschrift en de zitting, wegingsfactor 0,5, waarde per punt € 759,00).
De kantonrechter is, anders dan voorheen, van oordeel dat bij de vaststelling van de vergoeding van de proceskosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen een half punt moet worden toegekend en niet een heel punt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een uitspraak van 17 januari 2022 (ECLI: NL:GHARL:2022:280) heeft geoordeeld dat toekenning van een heel punt op een onjuiste rechtsopvatting berust en dat in het kader van een uniforme rechtstoepassing een half punt behoort te worden toegekend voor een telefonisch door de officier van justitie gehouden hoorzitting.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie, in die zin dat de boete wordt gematigd tot een bedrag van € 30,00 (met handhaving van de administratiekosten);
‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.164,75 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
‒ bepaalt dat voormeld bedrag aan de gemachtigde van betrokkene zal worden uitbetaald door het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.H. Lips, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: