Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot opheffing van het bewind dat over zijn goederen is ingesteld. Hij stelt dat hij zijn financiële fouten heeft ingezien en nu klaar is om zijn financiën zelfstandig te beheren. Het bewind was oorspronkelijk noodzakelijk voor de afwikkeling van de nalatenschap van zijn opa, die inmiddels is afgerond.
De bewindvoerder en de moeder van verzoeker zijn tegen het verzoek en betogen dat het bewind noodzakelijk blijft om te voorkomen dat verzoeker zijn geld onverantwoord uitgeeft en schulden maakt. Uit de stukken blijkt dat verzoeker zich tweemaal heeft afgemeld voor de zitting zonder onderbouwing. De kantonrechter heeft daarom de zaak op basis van stukken beoordeeld.
De kantonrechter stelt vast dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat hij in staat is zijn financiën zelfstandig te beheren of dat hij de afgelopen tijd heeft toegewerkt naar meer zelfredzaamheid. Ook zijn er zorgen bij de zus en mentor van verzoeker dat hij zonder bewind in financiële problemen zal komen.
Daarom wijst de kantonrechter het verzoek af. Wel wordt opgemerkt dat verzoeker samen met de bewindvoerder kan werken aan een traject om zelfredzaamheid te bevorderen, waarna een nieuw verzoek tot opheffing kan worden ingediend als zij concluderen dat verzoeker zelfstandig kan handelen.