Verzoekster heeft op 30 maart 2022 tijdens een zitting in een omgangszaak een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter wegens een vermeende wantrouwende en onredelijke houding. Zij voelde zich niet gehoord en meende dat de rechter niet bereid was haar bezwaren serieus te nemen, mede versterkt door een eerdere uitspraak uit 2019 over het beëindigen van haar ouderlijk gezag.
De rechter ontkende de beschuldigingen en lichtte toe dat zij procesmatig handelde, onder meer door te vragen of de advocaat zich had gesteld en verzoekster te verzoeken haar telefoon uit te schakelen tijdens de zitting. De wrakingskamer heeft de feiten onderzocht en concludeert dat de waargenomen houding van de rechter niet leidt tot een gegronde vrees voor partijdigheid.
De wrakingskamer overwoog dat de vermeende onzorgvuldigheden, zoals het ontbreken van een stelbriefje en het toelaten van een gedragskundig stuk door de GI, procesbeslissingen betreffen die niet tot wraking kunnen leiden. Ook het eerdere besluit uit 2019 over het ouderlijk gezag vormt geen grond voor wraking. Het verzoek tot wraking wordt daarom afgewezen en het proces wordt voortgezet zoals het was.