ECLI:NL:RBNHO:2022:918
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vrijstelling inburgeringsplicht wegens geen terugwerkende kracht
Eiser, die sinds 1989 in Nederland verblijft, verzocht om vrijstelling van zijn inburgeringsplicht, welke is gekoppeld aan zijn verblijfsvergunning van 2016. De minister wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelt dat eiser inburgeringsplichtig is sinds de datum van zijn verblijfsvergunning in 2016 en dat de inburgeringsplicht niet met terugwerkende kracht wordt opgelegd. De stelling van eiser dat hij als oudkomer vrijgesteld zou moeten zijn, wordt verworpen omdat de wetgever de inburgeringsplicht ook op oudkomers toepast.
Verder is onvoldoende onderbouwd waarom het inburgeringsexamen voor eiser onevenredig belastend zou zijn. Eiser heeft sinds 2016 geen pogingen ondernomen om aan de plicht te voldoen. Ook is vastgesteld dat eiser geen psychische of lichamelijke belemmeringen heeft die vrijstelling rechtvaardigen.
Ten slotte is het horen van eiser in bezwaar niet vereist omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het bestreden besluit.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van vrijstelling van de inburgeringsplicht blijft in stand.