Eiser heeft voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd gekregen, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) van €17.889. Na bezwaar is deze aanslag verminderd tot een biww van €17.455. Eiser stelde dat de navorderingsaanslag onterecht was vanwege ambtelijk verzuim en vorderde een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.
De rechtbank overwoog dat navordering niet mogelijk is indien sprake is van ambtelijk verzuim, wat inhoudt dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag redelijkerwijs aan de juistheid van de aangiftegegevens had moeten twijfelen. Uit de stukken bleek echter dat de inspecteur pas in 2018 ontdekte dat de aangifte door een gemachtigde was verzorgd, waardoor navordering op basis van een nieuw feit terecht was.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser tijdens de bezwaarfase steeds wisselende bedragen aan specifieke zorgkosten had opgegeven en pas toen duidelijkheid verschaft werd over de aftrekbare kosten. Daarom was de vermindering van de navorderingsaanslag niet te wijten aan een onrechtmatigheid van de inspecteur en was geen proceskostenvergoeding verschuldigd.
Ten slotte wees de rechtbank een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat in een samenhangende zaak reeds een vergoeding was toegekend. Het beroep werd ongegrond verklaard.