ECLI:NL:RBNHO:2023:10200
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing onkostenvergoeding piloot binnen zelfstandigheidsconstructie niet als gerichte vrijstelling
Eiser, een piloot werkzaam via een zelfstandigheidsconstructie voor een in Ierland gevestigde werkgever, betwistte de door de Belastingdienst vastgestelde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2018. De kern van het geschil betrof de vraag of de onkostenvergoeding van circa €55.000 tot het belastbaar loon moest worden gerekend of als gerichte vrijstelling kon worden aangemerkt.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat de onkostenvergoeding noodzakelijke kosten betrof die waren gemaakt voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Hoewel eiser stukken overlegde voor de maand augustus 2018, ontbrak een volledige specificatie voor het gehele jaar en onderbouwing van de kostenposten. Hierdoor kon de onkostenvergoeding niet als gerichte vrijstelling worden erkend.
Daarnaast werd het heffingsrecht over het loon dat eiser in meerdere landen had verdiend, beoordeeld aan de hand van relevante belastingverdragen met Ierland, Litouwen, Portugal, Spanje, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank concludeerde dat Nederland het heffingsrecht toekomt over het loon, inclusief de werkzaamheden in het internationaal luchtverkeer.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank tevens oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een individuele en buitensporige last. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de aanslag en stelt het fiscale loon vast op €85.004, waarbij de onkostenvergoeding niet als gerichte vrijstelling wordt erkend.