ECLI:NL:HR:2023:953
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffingsrecht Nederland over pilootloon in internationaal luchtverkeer
Belanghebbende, een in Nederland wonende piloot met standplaats in het Verenigd Koninkrijk, voerde beroep aan tegen een aanslag inkomstenbelasting over 2015 waarbij geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting werd verleend voor loon dat in het VK werd verdiend.
Het geschil betrof of het loon dat betrekking had op 55 dagen werkzaamheden op of boven het grondgebied van het VK, waaronder binnenlandse vluchten, stand-by en training, moest worden toegerekend aan een dienstbetrekking als lid van de bemanning van een luchtvaartuig in internationaal verkeer volgens het Verdrag Nederland-VK 2008.
Het Hof oordeelde dat het begrip 'internationaal verkeer' in het Verdrag van toepassing is en dat het heffingsrecht over het gehele loon aan Nederland toekomt, ook voor werkzaamheden aan de grond, omdat deze in ruime zin aan de dienstbetrekking worden toegerekend.
De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten die stelden dat het begrip 'internationaal verkeer' niet van toepassing zou zijn op artikel 14, lid 3, van het Verdrag en dat werkzaamheden aan de grond niet tot internationaal verkeer konden worden gerekend.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat Nederland het heffingsrecht heeft over het gehele loon van belanghebbende voor 2015.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat Nederland het heffingsrecht heeft over het loon van de piloot, ook voor werkzaamheden op en boven het grondgebied van het VK.