ECLI:NL:RBNHO:2023:10404

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 oktober 2023
Publicatiedatum
19 oktober 2023
Zaaknummer
15/013340-20 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511e SvArt. 348 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid ontnemingsvordering na vrijspraak diefstal

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 20 oktober 2023 de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie tegen de betrokkene, die was vrijgesproken van diefstal door twee of meer verenigde personen. De vordering betrof een bedrag van oorspronkelijk €881.813,16, later bijgesteld tot €5.000,00.

De verdediging verzocht primair afwijzing van de ontnemingsvordering vanwege de vrijspraak, subsidiair matiging van het bedrag. De rechtbank overwoog dat artikel 36e Sr vereist dat de ontnemingsvordering volgt op een veroordeling wegens een strafbaar feit. Dit volgt ook uit jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2009:BG4258).

Omdat de betrokkene was vrijgesproken, stond dit aan de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering in de weg. De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens het ontbreken van een veroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/013340-20 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 20 oktober 2023
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 9 juni 2022, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak onder bovenstaand parketnummer tegen:
[de betrokkene],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: [de betrokkene] .

1.De vordering

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid Sr zal vaststellen op
€ 881.813,16en dat aan [de betrokkene] de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op het strafbare feit waarvoor [de betrokkene] is gedagvaard om op 12, 14 en 18 september 2023 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank (artikel 36e, tweede lid Sr).

2.Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van [de betrokkene] om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 12, 14 en 18 september 2023.
De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden op 12, 14 en 18 september 2023. Daarbij zijn gehoord [de betrokkene] , zijn raadsvrouw mr. K.C. van Hoogmoed, advocaat te Haarlem en de officier van justitie mr. J.J. van Bree.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier.
Vervolgens is het onderzoek gesloten op 6 oktober 2023 en is de uitspraak bepaald op 20 oktober 2023.

3.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 5.000,00.
4. Het standpunt van [de betrokkene] en zijn raadsvrouw
De verdediging heeft, gelet op de in de strafzaak bepleite vrijspraak, primair verzocht dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen.
Subsidiair is door de verdediging afwijzing van de ontnemingsvordering verzocht, omdat nergens uit is gebleken dat [de betrokkene] in de winst heeft gedeeld.
Meer subsidiair is verzocht de vordering te matigen tot een bedrag van een paar honderd euro.

5.De beoordeling van de rechtbank

Bij vonnis van 20 oktober 2023 van deze rechtbank is [de betrokkene] vrijgesproken van diefstal door twee of meer verenigde personen.
Artikel 36e, eerste lid Sr houdt in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering, moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat (HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258). De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet ontvangen in de vordering.

6.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart het Openbaar Ministerie
niet-ontvankelijkin de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

7.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Boots, voorzitter,
mr. H.H.E. Boomgaart en mr. G.D. Kleijne, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L.L. de Vries en mr. T.J.A. Krips,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2023.