De rechtbank Noord-Holland behandelde op 20 oktober 2023 de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie tegen de betrokkene, die was vrijgesproken van diefstal door twee of meer verenigde personen. De vordering betrof een bedrag van oorspronkelijk €881.813,16, later bijgesteld tot €5.000,00.
De verdediging verzocht primair afwijzing van de ontnemingsvordering vanwege de vrijspraak, subsidiair matiging van het bedrag. De rechtbank overwoog dat artikel 36e Sr vereist dat de ontnemingsvordering volgt op een veroordeling wegens een strafbaar feit. Dit volgt ook uit jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
Omdat de betrokkene was vrijgesproken, stond dit aan de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering in de weg. De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.