Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 november 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
Inleiding
€ 1.715.000.
Feiten
a) de hoeveelheid accijnsgoederen die gemiddeld in de AGP van eiseres aanwezig is,
b) de hoeveelheid accijnsgoederen die in een aangiftetijdvak wordt uitgeslagen tot verbruik, en
c) de hoeveelheid accijnsgoederen die in een aangiftetijdvak onder schorsing van accijns wordt vervoerd.
“3.4.2. Artikel 2, lid 1, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met 7, lid 3, letter c, van de Accijnsrichtlijn brengt mee dat bij toepassing van de faciliteit van rechtstreekse aflevering in Nederland accijns wegens uitslag tot verbruik wordt verschuldigd op het tijdstip van ontvangst van de minerale oliën op de plaats van rechtstreekse aflevering. In dat geval is belanghebbende, als degene die de uitslag tot verbruik verricht, accijns verschuldigd geworden. Op grond van artikel 9 van Pro de Accijnsrichtlijn wordt in lidstaten verschuldigde accijns geheven en geïnd overeenkomstig de door iedere lidstaat vastgestelde procedures. Anders dan het middel betoogt, is het buiten redelijke twijfel dat de Accijnsrichtlijn aan Nederland de ruimte laat om bij of krachtens de Wet voor te schrijven dat de belastingplichtige zekerheid moet stellen voor de accijns die verschuldigd is geworden wegens uitslag tot verbruik, in afwachting van de voldoening op aangifte daarvan.
“3.6.2. (…) In artikel 56, lid 5, van de Wet is bepaald dat het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld door de inspecteur en dat die vaststelling geschiedt tot een zodanig bedrag dat de te verhalen accijns voldoende verzekerd kan worden. Volgens artikel 56, lid 6, van de Wet kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld voor het bepalen van de hoogte van het bedrag van de zekerheid. Aan artikel 56, lid 6, van de Wet is wat betreft artikel 56, lid 5, van de Wet uitvoering gegeven in artikel 22 UR Pro. Volgens artikel 22, lid 4, UR bedraagt de zekerheid ten minste vijf procent van het accijnsbelang.
“3.7.2. (…) De krachtens de wettelijke bepalingen vereiste zekerheid is bedoeld om de financiële belangen van de schatkist veilig te stellen. Kennelijk is de regelgever ervan uitgegaan dat die belangen voldoende zijn gewaarborgd met een zekerheid van maximaal € 9 miljoen, ook indien het een grote onderneming betreft. Door dit maximum te hanteren heeft de regelgever de grenzen van de hem bij artikel 56, lid 6, van de Wet toegekende bevoegdheid tot het geven van nadere regels niet overschreden. Evenmin leidt dit maximum tot een inbreuk op het Unierechtelijke gelijkheidsbeginsel of proportionaliteitsbeginsel. Deze beginselen eisen niet dat steeds een zelfde percentage van het accijnsbelang als zekerheid wordt verlangd.”
Geschil
Verder betoogt eiseres dat de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad inhoudt dat artikel 9 van Pro de Accijnsrichtlijn geen basis biedt voor het eisen van een zekerheid buiten de gevallen als genoemd in de artikelen 16 en 18 van de Accijnsrichtlijn, zodat de rechtbank moet toetsen of voor de accijns van onderdeel b) van de beschikking zekerheid kan worden geëist op grond van deze artikelen 16 en 18.
Relevante regelgeving
“De voorwaarden voor de verschuldigdheid van de accijns en het toe te passen tarief zijn die welke van kracht zijn op het tijdstip van het verschuldigd worden in de lidstaat waar de uitslag tot verbruik plaatsvindt. De accijns wordt geheven en geïnd alsmede in voorkomend geval teruggegeven of kwijtgescholden overeenkomstig de door iedere lidstaat vastgestelde procedure. De lidstaten passen voor binnenlandse goederen en goederen van andere lidstaten dezelfde procedures toe.”
“De vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats en de geregistreerde afzender stellen zekerheid voor de accijns die zij verschuldigd zijn of kunnen worden in Nederland dan wel in een andere lidstaat.”