ECLI:NL:RBNHO:2023:1154
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onterechte intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens onbetrouwbare watermeter
Eiser ontving vanaf 2015 bijstand en stond vanaf 2016 ingeschreven op een uitkeringsadres. Verweerder trok de bijstand in per 12 juni 2018 wegens vermoedens dat eiser niet op dat adres woonde, gebaseerd op extreem laag waterverbruik. De voorzieningenrechter oordeelde dat het waterverbruik na 10 juni 2019 onvoldoende was om intrekking te rechtvaardigen. Verweerder beperkte daarop de intrekking tot 12 juni 2018 tot 10 juni 2019.
Eiser stelde dat de oude watermeter, die in oktober 2019 werd vervangen, mogelijk niet correct functioneerde, wat het lage verbruik verklaarde. Verweerder vond dit niet aannemelijk omdat dit niet eerder was ingebracht en er geen objectief bewijs was. De rechtbank oordeelde dat de watermeter met een standtijd van 8-12 jaar ruim was overschreden en dat het hogere verbruik na vervanging de onbetrouwbaarheid bevestigt.
Omdat het waterverbruik het enige bewijs was voor het niet-woonachtig zijn, en dit nu twijfelachtig is, kon het besluit tot intrekking en terugvordering niet standhouden. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat verweerder het griffierecht en proceskosten aan eiser moet vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen wegens onvoldoende bewijs dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde.