Verzoekster werd op 5 augustus 2021 aangehouden wegens rijden onder invloed van cannabis, waarbij een bloedtest 6,9 microgram THC per liter aantoonde. Naar aanleiding hiervan legde het CBR een onderzoek naar haar drugsgebruik op en schorste het haar rijbewijs. Verzoekster maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. Diverse besluiten over schorsing en ongeldigverklaring van het rijbewijs volgden, waarbij verzoekster bezwaar maakte en beroep instelde, maar deze werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet tijdige betaling van griffierecht.
Na het verstrijken van de recidiefvrije periode startte verzoekster een gezondheidsprocedure, waarna zij een verklaring van geschiktheid voor één jaar kreeg toegekend. Verzoekster vroeg vervolgens herziening van de uitspraak van 22 december 2021, stellende dat zij niet onder invloed had gereden en dat een politierechter haar gelijk had gegeven door een boete kwijt te schelden.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die voldeden aan de voorwaarden voor herziening zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, Awb. Haar argumenten waren een herhaling van eerdere standpunten en de verwijzing naar de politierechter was onvoldoende onderbouwd en niet relevant voor de herziening. Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen, waardoor de eerdere uitspraak in stand bleef en verzoekster geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.