ECLI:NL:RBNHO:2023:12861
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen WOZ-waarde vaststelling recreatiewoning
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een vrijstaande recreatiewoning uit 1989, gelegen op erfpachtgrond, met een waardepeildatum van 1 januari 2021. Verweerder stelde de waarde vast op €265.000, waartegen eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
Eiser voerde aan dat verweerder niet voldeed aan artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ door onvoldoende inzicht te geven in de gebruikte correcties, vergelijkingsobjecten en waarderingsfactoren. Daarnaast betwistte eiser de gehanteerde vergelijkingsobjecten en de ligging van de woning.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn verstrekkingplicht had voldaan door het tijdig digitaal overleggen van het taxatieverslag, grondstaffel en KOUDV-factoren. De gebruikte vergelijkingsobjecten waren voldoende vergelijkbaar en de waardering was gebaseerd op een degelijke analyse van marktgegevens, waarbij rekening werd gehouden met verschillen in ligging, kwaliteit en onderhoud.
De rechtbank volgde de stelling van verweerder dat in de beroepsfase andere vergelijkingsobjecten mogen worden gebruikt dan in de bezwaarfase. De vastgestelde waarde stond in redelijke verhouding tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €265.000 wordt ongegrond verklaard.