Eiser en zijn partner hebben gezamenlijk certificaten in een stichting die eigenaar is van een woning. Eiser stelde €450.000 ter beschikking voor de aankoop en verbouwing van de woning. Na beëindiging van de samenleving kreeg eiser de certificaten van zijn partner toegewezen, waarbij verweerder een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting oplegde.
Eiser beriep zich op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BRV, stellende dat hij slechts een hybride lening had verstrekt zonder overdracht van economische eigendom. Verweerder stelde dat eiser door de condities van de lening een economisch belang van 25% had, naast zijn juridische eigendom van 50%, waardoor hij in totaal voor 75% gerechtigd was.
De rechtbank overwoog dat economische eigendom niet alleen de juridische gerechtigdheid betreft, maar ook het risico van waardeverandering. De afspraken en feitelijke situatie toonden aan dat eiser een economisch belang van 25% had, dat risico droeg en dus economische eigendom bezat. Daarmee voldeed de verdeling niet aan de vereiste 40%-60% grens voor vrijstelling.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser, oordeelde dat de vrijstelling niet van toepassing was en verklaarde het beroep ongegrond. De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en de rentebeschikking werden gehandhaafd.