Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2023:13811

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 december 2023
Publicatiedatum
15 januari 2024
Zaaknummer
346207 KG ZA 23-627
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot terugbetaling geldlening met rente en proceskosten

In deze kortgedingprocedure vordert [bedrijf] HOLDING B.V. betaling van een geldlening verstrekt aan [gedaagde]. De lening van in totaal €120.000 werd in drie tranches verstrekt met een rente van 4% per jaar en een looptijd tot 30 juni 2020. De gedaagde betaalde slechts de eerste tranche terug zonder rente en bleef de overige bedragen schuldig ondanks aanmaningen.

De gedaagde erkent de verschuldigdheid en zijn tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. De rechtbank constateert dat de vordering daarmee voor toewijzing gereed ligt en dat het spoedeisend belang van de eiser niet wordt weersproken.

De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot betaling van de hoofdsommen van de tweede en derde tranche, de rente over deze bedragen vanaf de respectievelijke data van verstrekking, en de rente over de eerste tranche. Tevens worden de proceskosten van €3.665,59 aan de zijde van de eiser toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot betaling van de geldlening met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/346207 / KG ZA 23-627
Vonnis in kort geding van 21 december 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf] HOLDING B.V.,
gevestigd te Bussum,
eisende partij,
hierna te noemen: [bedrijf],
advocaat: mr. F. Heybroek te Bussum,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederende in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 november 2023 met producties 1 tot en met 7;
- de mondelinge behandeling van 13 december 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;

2.De uitgangspunten

2.1.
Enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf] is [betrokkene]. Poelgeest en [gedaagde] waren bevriend.
2.2.
[bedrijf] en [gedaagde] zijn op 24 januari 2019 een schriftelijke overeenkomst van geldlening overeengekomen. In totaal heeft [gedaagde] € 120.000,- van [bedrijf] geleend, tegen een rente van 4% per jaar bij aflossing en een looptijd tot 30 juni 2020.
2.3.
De geldlening is, in drie tranches van € 60.000,- op 24 januari 2019, € 40.000,- op 18 maart 2019 en € 20.000,- op 26 mei 2019 aan [gedaagde] verstrekt.
2.4.
Op 26 maart 2020 heeft [gedaagde] de eerste tranche van € 60.000,- terugbetaald zonder de daarover vervallen rente.
2.5.
Ondanks diverse aanmaningen van [bedrijf] heeft [gedaagde] het overige gedeelte van de geldlening niet voldaan.

3.De vordering en het verweer

3.1.
[bedrijf] vordert – samengevat – betaling van een bedrag van € 2.813,11 (rente over de eerste tranche), een bedrag van € 40.000,- (tweede tranche) vermeerderd met 4% enkelvoudige rente vanaf 18 maart 2019, een bedrag van € 20.000,- (derde tranche) vermeerderd met 4% enkelvoudige rente vanaf 26 mei 2019 en de proceskosten.
3.2.
[bedrijf] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening. [bedrijf] vordert nakoming van die verbintenissen.
3.3.
[gedaagde] erkent de verschuldigdheid van de vordering.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de vordering en zijn tekortkoming in de nakoming erkend. Als onweersproken ligt de vordering dan ook voor toewijzing gereed. Het spoedeisend belang van [bedrijf] bij nakoming van de geldlening wordt evenmin door [gedaagde] weersproken.
4.2.
Tot slot heeft [bedrijf] het recht bij de rechter een vonnis te vragen, zodat zij, zo nodig, via een deurwaarder [gedaagde] kan dwingen te betalen. [gedaagde] zal daarom als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [bedrijf]. De rechtbank begroot de proceskosten aan de kant van [bedrijf] als volgt:
- dagvaarding
131,59
- griffierecht
2.837,00
- salaris advocaat
697,00
Totaal
3.665,59
4.3.
[bedrijf] heeft veroordeling van [gedaagde] in de nakosten gevorderd. Volgens vaste rechtspraak (zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853) levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten. De rechtbank zal daarom de nakosten niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van 2.813,11 aan rente over de eerste tranche,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 40.000,00, te vermeerderen met 4% enkelvoudige rente over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 maart 2019, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met 4% enkelvoudige rente over het toegewezen bedrag, met ingang van 26 mei 2019, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [bedrijf] tot dit vonnis vastgesteld op € 3.665,59, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2023