Eiseres, een tuinbouwbedrijf, heeft een subsidie op grond van de NOW-1 aangevraagd wegens verwacht omzetverlies door COVID-19. De minister stelde de definitieve subsidie vast op nul euro en vorderde het voorschot van ruim €91.000 terug, omdat het omzetverlies lager was dan aanvankelijk opgegeven. Eiseres betoogde dat de lagere loonsom te wijten was aan seizoensinvloeden en dat zij geen medewerkers had ontslagen, waarmee zij voldeed aan de doelstelling van de regeling.
De rechtbank constateert dat de minister de subsidie correct heeft berekend volgens de wettelijke formule, maar dat het besluit een discretionaire bevoegdheid betreft waarbij een belangenafweging vereist is. Deze belangenafweging ontbreekt in het bestreden besluit, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek. De minister heeft in het verweerschrift alsnog een belangenafweging gemaakt, maar deze voldoet niet aan de vereisten van kenbaarheid en zorgvuldigheid.
De rechtbank wijst erop dat de financiële gevolgen voor eiseres aanzienlijk zijn en dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of de strikte toepassing van de regeling onevenredig nadelige gevolgen heeft. Daarom wordt de minister in de gelegenheid gesteld het gebrek binnen acht weken te herstellen met een aanvullende motivering of nieuwe beslissing. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.