Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
ING Bank N.V.
1.Het verdere procesverloop
2.De verdere beoordeling
3.De beslissing
rolzitting van 5 juli 2023voor het nemen van een akte door de eisende partij;
Rechtbank Noord-Holland
In deze civiele bodemzaak vordert ING Bank N.V. betaling van een vordering gebaseerd op een vermeende ongeoorloofde roodstand op de betaalrekening van de gedaagde partij. De gedaagde partij is niet verschenen. In een tussenvonnis werd de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, wat zij heeft gedaan.
De kantonrechter oordeelt dat door de verstrekking van de creditcard in 2020 een kredietovereenkomst is ontstaan, omdat de gedaagde partij met de creditcard bedragen kon opnemen met uitstel van betaling. Dit betekent dat Titel 2A van Boek 7 BW van toepassing is en dat ambtshalve toetsing van deze kredietovereenkomst moet plaatsvinden.
De door de eisende partij ingeroepen uitzondering van artikel 7:58 lid 2 aanhef Pro en onder d BW is niet van toepassing op de creditcardovereenkomst. De constructie waarbij het openstaande saldo van de creditcard wordt overgeheveld naar de betaalrekening, leidt tot een betalingsachterstand die onder de kredietovereenkomst valt en dus ambtshalve getoetst moet worden.
De eisende partij wordt daarom in de gelegenheid gesteld om nader toe te lichten of de creditcardovereenkomst onder een andere uitzondering valt en hoe zij heeft voldaan aan haar informatieplichten en kredietwaardigheidstoets. De verdere beslissing wordt aangehouden tot nadere toelichting is ontvangen.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat een kredietovereenkomst is ontstaan door de creditcardverstrekking en houdt verdere beslissing aan voor nadere toelichting door de eisende partij.