ECLI:NL:RBNHO:2023:1519
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank wijst vergoeding dwangsom toe maar geen immateriële schade bij WOZ-geschil
Eiseres maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van haar onroerende zaak, maar het bezwaar werd door verweerder gehandhaafd. Vervolgens verzocht eiseres om een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar, welke door verweerder werd afgewezen. Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing.
Tijdens de procedure erkende verweerder de ontvangst van een ingebrekestelling en gaf aan dat eiseres recht had op een dwangsom van € 1.352. Eiseres stemde hiermee in, waarna de rechtbank het beroep gegrond verklaarde en verweerder veroordeelde tot betaling van deze dwangsom.
Eiseres vorderde tevens vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn in dit geval eindigde met de uitspraak op bezwaar, waartegen geen hoger beroep was ingesteld. Hierdoor was de redelijke termijn niet overschreden en werd vergoeding van immateriële schade afgewezen.
De rechtbank veroordeelde verweerder ook tot vergoeding van proceskosten aan eiseres, vastgesteld op € 837. De uitspraak verving het vernietigde besluit waarin de dwangsom was afgewezen en werd op 21 februari 2023 uitgesproken.
Uitkomst: Eiseres krijgt een dwangsom van € 1.352 toegekend, maar geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn.