In deze zaak vordert AirHelp compensatie namens passagiers, waaronder een minderjarige, op grond van Verordening 261/2004 wegens een vluchtvertraging op 1 september 2019. De kantonrechter toetst ambtshalve het toepassingsbereik van de Verordening, met name of de minderjarige passagier recht heeft op compensatie, gelet op de vraag of deze gratis of tegen een gereduceerd tarief heeft gereisd.
AirHelp stelt dat de minderjarige tegen een gereduceerd tarief heeft gereisd dat publiek toegankelijk was, maar slaagt er niet in dit aannemelijk te maken. De kantonrechter concludeert dat de Verordening niet van toepassing is op deze passagier en wijst daarom een bedrag van €250 af.
Verder staat vast dat de vlucht met meer dan drie uur vertraging aankwam, waardoor compensatie in beginsel verschuldigd is, tenzij sprake is van buitengewone omstandigheden. De vervoerder toont aan dat er een storing was in het computersysteem van de Franse luchtverkeersleiding, maar faalt in het bewijs dat deze storing volledig de oorzaak van de vertraging is geweest. De kantonrechter wijst daarom de exceptie van buitengewone omstandigheden af.
De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van €750 compensatie aan de passagiers, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de vertraagde vlucht, en tot vergoeding van proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.