In deze civiele bodemzaak gaat het om een geschil tussen een hoofdaannemer en een onderaannemer over de kwaliteit van tegelwerk in een badkamer. De hoofdaannemer vordert schadevergoeding wegens ondeugdelijk werk en stelt dat de onderaannemer in verzuim is. De onderaannemer erkent gebreken, maar betwist dat het werk volledig vervangen moest worden en stelt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om herstel uit te voeren.
De kantonrechter oordeelt dat een ingebrekestelling met een tweetraps termijn is gegeven, waarbij herstel uiterlijk 10 juni 2022 moest zijn afgerond. Omdat de opdrachtgever zelf op 2 juni 2022 met herstel begon, is de onderaannemer niet in verzuim geraakt. Er is sprake van schuldeisersverzuim omdat de opdrachtgever de onderaannemer de mogelijkheid tot herstel heeft ontnomen.
De tegenvordering van de onderaannemer tot betaling van de factuur wordt afgewezen omdat het werk niet was opgeleverd en de waarde ervan niet vaststaat. De kantonrechter wijst zowel de vordering als de tegenvordering af en veroordeelt partijen tot betaling van proceskosten.