ECLI:NL:HR:2008:BB8648
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schuldeisersverzuim en bewijslast bij niet-nakoming door gebrek aan medewerking
In deze zaak gaat het om een geschil tussen APR en [verweerder] over een overeenkomst waarbij APR een milieuvergunning van een derde moest laten intrekken ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf van [verweerder]. [Verweerder] had een bedrag in depot gestort dat pas zou worden vrijgegeven als de milieuvergunning onherroepelijk werd.
[Verweerder] vroeg de rechtbank om het depot vrij te geven, terwijl APR dit weigerde en vorderde dat het bedrag aan haar zou worden doorbetaald. De rechtbank wees de vordering van [verweerder] toe en wees de vorderingen van APR af. Het hof bekrachtigde dit oordeel.
De kern van het geschil was of [verweerder] tekort was geschoten in zijn medewerkingsplicht door geen definitieve milieuvergunning aan te vragen, en of APR daardoor niet kon nakomen. Het hof oordeelde dat [verweerder] in beginsel schuldeisersverzuim pleegde, maar dat APR moest bewijzen dat de vergunning zou zijn verleend als deze tijdig was aangevraagd. APR slaagde hier niet in.
De Hoge Raad bevestigt dat volgens art. 6:58 BW Pro de bewijslast voor het niet-toerekenbaar zijn van het verzuim bij de schuldeiser ligt. Het hof heeft deze bewijslastverdeling correct toegepast. Het cassatieberoep wordt verworpen en APR wordt veroordeeld in de kosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofvonnis wordt bekrachtigd waarbij het depot aan [verweerder] wordt vrijgegeven en de vorderingen van APR worden afgewezen.