ECLI:NL:RBNHO:2023:3937

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 mei 2023
Publicatiedatum
1 mei 2023
Zaaknummer
10231467 \ 22-5726
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:233 BWArt. 6:234 BWArt. 242 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling resterende factuur mestsilo reparatie na betwisting kwaliteit en garantie

Habo Drechtstede B.V. vordert betaling van het resterende factuurbedrag van €9.309,63 voor een in december 2021 uitgevoerde reparatie aan een mestsilo bij gedaagden, die slechts gedeeltelijk betaalden. Gedaagden betwisten de factuur wegens vermeende ondeugdelijke reparatie, onredelijke prijs en garantieclaims.

De kantonrechter oordeelt dat de reparatie overeenkomstig het geaccepteerde voorstel is uitgevoerd en erkend door gedaagden. Het verweer dat de prijs te hoog was en dat sprake was van garantie faalt, mede omdat gedaagden geen voorbehoud maakte bij acceptatie en geen bewijs leverde van eerdere reparaties of gebreken.

De Metaalunie voorwaarden zijn rechtsgeldig van toepassing verklaard, waardoor contractuele rente en incassokosten toewijsbaar zijn, zij het dat de incassokosten gematigd worden tot €840,48 conform het toepasselijke Besluit. De tegenvordering tot afgifte van garantie- en KIWA-certificaten wordt afgewezen omdat dergelijke certificaten niet voor een enkele reparatie kunnen worden verstrekt.

Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het resterende factuurbedrag, rente, incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en gewezen door kantonrechter A.E. Merkus.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van het resterende factuurbedrag, rente, incassokosten en proceskosten; tegenvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10231467 \ CV EXPL 22-5726 CK
Uitspraakdatum: 3 mei 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
De besloten vennootschap
HABO Drechtstede B.V.
gevestigd te Sliedrecht
eiseres
verder te noemen: Habo
gemachtigde: mr. J.L.J.J. Nelissen
tegen

1.[naam maatschap]

gevestigd te [vestigingsplaats]

2. [gedaagde 1]

wonende te [woonplaats]

3. [gedaagde 2]

wonende te [woonplaats]
gedaagden
verder gezamenlijk te noemen: [gedaagden]
gemachtigde: mr. C.M.T. van de Wiel

1.Het procesverloop

1.1.
Habo heeft bij dagvaarding van 10 november 2022 een vordering tegen [gedaagden] ingesteld. [gedaagden] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.
1.2.
Op 20 maart 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2.De feiten

2.1.
[gedaagden] exploiteert een melkveehouderij. Zij maken gebruik van een in mei 2015 op het bedrijf geplaatste mestsilo.
2.2.
In verband met een defect aan de mestsilo is door Habo in december 2021 een schriftelijk reparatievoorstel gedaan. Die offerte is door [gedaagden] aanvaard. Het werk is uitgevoerd op 16 en 20 december 2021.
2.3.
Habo heeft voor die werkzaamheden op 22 december 2021 een factuur van € 15.860,42 inclusief btw aan [gedaagden] gezonden. [gedaagden] heeft € 7.000,00 betaald.
2.4.
Nadat Habo [gedaagden] had aangemaand voor het restantbedrag, heeft de gemachtigde van [gedaagden] bij brief van 17 mei 2022 bericht dat de schade niet deugdelijk zou zijn hersteld en dat [gedaagden] het restant van de factuur niet zal betalen.

3.Het geschil

3.1.
Habo vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt tot betaling van het restant factuurbedrag van € 9.309,63, te vermeerderen met de contractuele rente, subsidiair de wettelijke handelsrente, de contractuele buitengerechtelijke incassokosten van € 1.014,77 te vermeerderen met de wettelijke rente, en met veroordeling van [gedaagden] in de proces- en nakosten.
3.2.
Habo legt aan de vordering ten grondslag, kort weergegeven, dat zij overeenkomstig het door [gedaagden] geaccepteerde reparatievoorstel werkzaamheden heeft verricht en materiaal heeft geleverd. [gedaagden] schiet te kort in de nakoming van haar betalingsverplichting door de factuur niet volledig te betalen. De gevorderde rente en incassokosten zijn gebaseerd op de Metaalunie voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn, aldus Habo.
3.3.
[gedaagden] betwist de vordering. Zij voert aan, samengevat, dat de reparatie niet deugdelijk is uitgevoerd. De prijs van € 15.860,42 acht zij om verschillende redenen niet redelijk. [gedaagden] voert verweer tegen de gevorderde contractuele rente en incassokosten en stelt dat de Metaalunie voorwaarden niet van toepassing zijn, ze zijn niet ter hand gesteld. [gedaagden] bestrijdt ook dat op de incasso gerichte werkzaamheden zijn verricht, Habo wilde immers niet ingaan op een aanbod van [gedaagden] om nog een deel van de factuur te betalen.
3.4.
[gedaagden] vordert bij wijze van tegenvordering dat Habo wordt veroordeeld tot afgifte van een garantiecertificaat en het KIWA certificaat.
3.5.
Habo betwist de tegenvordering.

4.De beoordeling

de vordering
4.1.
De vraag in deze zaak is of [gedaagden] moet worden veroordeeld tot betaling van de factuur van Habo. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] die factuur inderdaad moet betalen. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.
4.2.
Partijen hebben een afspraak gemaakt ten aanzien van de door Habo uit te voeren werkzaamheden. Habo heeft de werkzaamheden, de reparatie aan de mestzak van de silo, uitgevoerd zoals in het door [gedaagden] geaccepteerde reparatievoorstel is geoffreerd. [gedaagden] heeft erkend dat die werkzaamheden deugdelijk en overeenkomstig de opdracht en afspraak zijn verricht. [gedaagden] moet zich dus aan de afspraak houden en de factuur volledig betalen.
4.3.
[gedaagden] stelt nu echter achteraf dat Habo een te hoog bedrag in rekening heeft gebracht. Zij stelt dat zij onder druk van de omstandigheden heeft ingestemd met de offerte, maar dat zij het niet eens was met de geoffreerde prijs. [gedaagden] meende ook dat het werk gedeeltelijk onder garantie zou vallen. De kantonrechter kan dit verweer niet volgen. Habo is in het reparatievoorstel van december 2021 ingegaan op de oorzaken van het defect en heeft de oplossing beschreven. Ook is uit coulance een korting van 25% op de materiaalprijs verleend. [gedaagden] heeft dat aanbod aanvaard zonder dat zij enig voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de offerte, de prijs en eventuele aanspraak op garantie. Daarbij biedt de tekst van de offerte ook geen steun aan de veronderstelling dat garantie aan de orde was. [gedaagden] heeft vervolgens slechts een deel van de factuur betaald. Zij heeft Habo destijds niet geïnformeerd waarom zij maar gedeeltelijk betaalde. Dat het voor de bedrijfsvoering van [gedaagden] van groot belang was dat de silo zo spoedig mogelijk werd gerepareerd en dat [gedaagden] er daarom voor gekozen heeft de offerte zonder enig voorbehoud te accepteren, moet voor haar rekening en risico blijven.
4.4.
De overige stellingen van [gedaagden] zien op de plaatsing van de mestsilo in 2015 en een volgens [gedaagden] in 2020 uitgevoerde reparatie. [gedaagden] stelt dat uit de nu geconstateerde windschade volgt dat de silo in 2015 verkeerd is geplaatst. Zij hoefde niet te verwachten dat binnen vijf jaar de mestzak vernieuwd moest worden. Het defect in 2021 was op dezelfde plek als in 2020, volgens [gedaagden] . [gedaagden] heeft deze stellingen tegenover de ontkenning daarvan door Habo niet onderbouwd. Ondanks verzoeken van Habo heeft [gedaagden] geen stukken betreffende de gestelde reparatie van 2020 overgelegd. De stelling dat in 2021 hetzelfde defect is opgetreden is evenmin onderbouwd. Dat [gedaagden] dat tijdens het uitvoeren van het werk in 2021 met een monteur van Habo besproken zou hebben, is daarvoor niet voldoende. Als [gedaagden] vanwege constateringen tijdens de reparatie in december 2021 aanleiding zag om terug te komen op de overeenkomst en niet de gehele factuur te betalen, had het bovendien op haar weg gelegen daarover direct contact op te nemen met Habo. Dat heeft zij, zoals hiervoor ook is vastgesteld, niet gedaan. Het verweer slaagt niet.
4.5.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Habo tot betaling van het restant factuurbedrag van € 9.309,63 zal toewijzen.
4.6.
Habo vordert veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de contractuele rente en incassokosten over het restant factuurbedrag, op grond van de van toepassing zijnde Metaalunie voorwaarden. [gedaagden] voert daartegen verweer en betwist dat de (bedingen in de) Metaalunie voorwaarden van toepassing zijn. Zij stelt dat die voorwaarden niet ter hand zijn gesteld.
4.7.
De kantonrechter verwerpt dit beroep op de vernietigingsgrond van artikel 6:233 aanhef Pro en onderdeel b BW, gelezen in verbinding met artikel 6:234 BW Pro. Habo heeft onbestreden gesteld dat zij voor al haar offertes, opdrachtbevestigingen en facturen briefpapier gebruikt waarop aan de achterzijde de Metaalunievoorwaarden zijn afgedrukt. Ook voor het voorstel aan [gedaagden] van 2 december 2021 is dergelijk papier gebruikt. Onderaan de offerte staat ook de voorgedrukte tekst "Op al onze offertes, op alle opdrachten aan ons en op alle met ons gesloten overeenkomsten zijn toepasselijk de Metaalunie voorwaarden zoals deze luiden volgens de op de achterzijde afgedrukte tekst. […]". De Metaalunie voorwaarden zijn op die wijze ter hand gesteld.
4.8.
De vordering tot betaling van de contractuele rente overeenkomstig artikel 17.6 van de Metaalunievoorwaarden zal worden toegewezen vanaf de datum van verzuim, overeenkomstig artikel 17.2 van de Metaalunie voorwaarden dertig dagen na de factuurdatum, derhalve 21 januari 2022.
4.9.
Habo maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 17.8 van de Metaalunievoorwaarden. Op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder c BW komen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor vergoeding in aanmerking. Habo heeft gesteld, en uit de stukken blijkt ook, dat zij voor het uitbrengen van de dagvaarding daadwerkelijk (incasso-)werkzaamheden heeft verricht, die niet kunnen worden beschouwd als werkzaamheden ter voorbereiding op een procedure, maar die rechtstreeks verband houden met een redelijke en serieuze poging om in de onderhavige kwestie in der minne nakoming van de overeenkomst door [gedaagden] te verkrijgen. Dat Habo niet in wilde gaan op een aanbod van [gedaagden] om een deel van de vordering alsnog te betalen, doet daar niet aan af.
4.10.
De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In het onderhavige geval acht de kantonrechter echter termen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv Pro te matigen nu niet gesteld of gebleken is dat de werkelijke kosten van Habo hoger zijn dan het toepasselijke tarief van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, welke tarieven geacht worden redelijk te zijn. De buitengerechtelijke incassokosten zullen dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 840,48 (inclusief btw), conform het in voormeld Besluit bepaalde tarief dat hoort bij het aan hoofdsom toegewezen bedrag. De wettelijke rente over dat bedrag wordt toegewezen zoals gevorderd, vanaf de dag van de dagvaarding.
4.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagden] , omdat zij ongelijk krijgt.
4.12.
Habo vraagt ook veroordeling van [gedaagden] in de nakosten. Volgens vaste rechtspraak [1] levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten – die worden begroot op € 124,00 en, als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, de explootkosten van betekening van het vonnis – een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten. De kantonrechter zal daarom de nakosten niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.
de tegenvordering
4.13.
[gedaagden] vordert dat Habo wordt veroordeeld tot afgifte van een garantiecertificaat en het KIWA certificaat.
4.14.
Habo heeft ter zitting uiteengezet dat toewijzing van de vordering van [gedaagden] niet mogelijk is, dergelijke certificaten kunnen niet worden afgegeven voor een enkele reparatie. [gedaagden] heeft dat niet weersproken en haar vordering niet nader onderbouwd of toegelicht.
4.15.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [gedaagden] zal afwijzen.
4.16.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagden] , omdat zij ongelijk krijgt. Deze kosten worden in verband met de in conventie toegekende vergoeding aan de zijde van Habo vastgesteld op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter:
de vordering
5.1.
veroordeelt [naam maatschap] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , hoofdelijk, aldus dat de één betalende de ander zal zijn
bevrijd, tot betaling aan Habo van € 9.309,63, te vermeerderen met de contractuele rente overeenkomstig het bepaalde in artikel 17.6 van de Metaalunie voorwaarden over dat bedrag, vanaf 21 januari 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.2.
veroordeelt [naam maatschap] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , hoofdelijk, aldus dat de één betalende de ander zal zijn
bevrijd, tot betaling aan Habo van € 840,48, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 november 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.3.
veroordeelt [naam maatschap] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , hoofdelijk, aldus dat de één betalende de ander zal zijn
bevrijd, tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Habo tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 107,29
griffierecht € 514,00
salaris gemachtigde € 792,00;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst de vordering voor het overige af.
de tegenvordering
5.6.
wijst de vordering af;
5.7.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Habo worden vastgesteld op nihil.
5.8.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.