Uitspraak
- 2.1Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat de beroepsgronden van eiser niet voldoen aan het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden.
- 2.2Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen wegens schending van een rechtsregel als die rechtsregel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de hiervoor bedoelde uitspraak van 4 mei 2021[3] volgt dat artikel 8:69a van de Awb onverminderd geldt in gevallen waarin ook niet-belanghebbenden toegang tot de bestuursrechter hebben.
- 2.3Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij beroep heeft ingesteld vanwege de gevolgen voor de parkeerdruk en de natuur die het vergunde project volgens hem zal hebben.
- 2.4Voor zover eiser zich met het oog op de gestelde parkeergevolgen beroept op de norm van een goede ruimtelijke ordening of andere normen, overweegt de rechtbank dat eisers woning op een afstand van hemelsbreed ongeveer 3 km van de projectlocatie is gelegen. Gelet op deze afstand, is niet aannemelijk dat het project gevolgen heeft voor het parkeren in de directe omgeving van eisers woning. Dit betekent dat eiser zich wat parkeren betreft beroept op normen die in dit geval niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Daaraan doet niet af dat eiser ter zitting heeft gesteld dat hij betrokken is bij besloten vennootschappen in de buurt van de projectlocatie. Eiser heeft het beroep immers niet namens die vennootschappen ingesteld, maar namens hemzelf. Bovendien heeft eiser niet geconcretiseerd om welke vennootschappen het gaat en wat voor activiteiten die vennootschappen ontplooien.
- 2.5Voor zover eiser zich beroept op bepalingen uit de Wet natuurbescherming of andere bepalingen betreffende de bescherming van de natuur, overweegt de rechtbank dat deze bepalingen strekken tot bescherming van een algemeen belang waarvoor eiser niet in rechte kan opkomen. De individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving kunnen echter zo verweven zijn met het algemene belang dat deze bepalingen beogen te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Dit volgt uit een overzichtsuitspraak van de Afdeling.[4]
- 2.6Gelet op de afstand tussen de woning van eiser en de projectlocatie van hemelsbreed ongeveer 3 km en op de tussen deze woning en de projectlocatie gelegen bebouwing van het lintdorp Den Ilp en van de dorpskern van Landsmeer, is niet aannemelijk dat het project gevolgen heeft voor de directe woon- en leefomgeving van eiser en dus ook niet voor de tot die omgeving behorende delen van beschermde natuurgebieden en in die omgeving levende dier- en plantensoorten. Eiser heeft geen concrete argumenten aangevoerd die op het tegendeel wijzen. Dit betekent dat eiser zich ook wat de natuur betreft beroept op normen die in dit geval niet strekken tot bescherming van zijn belangen.[5]
- 2.7Gezien het voorgaande, zijn de beroepsgronden van eiser gebaseerd op normen die niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Dit betekent dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit op basis van deze beroepsgronden. Daarom is het beroep ongegrond en laat de rechtbank een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgronden achterwege.
- 4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.