Eiser heeft op 20 november 2020 een Wajong-uitkering aangevraagd, welke door verweerder is afgewezen op grond van het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen binnen de verzekerde periode. Medische en arbeidskundige rapportages stelden vast dat eiser in 2021 niet over basale werknemersvaardigheden beschikte, maar dat het moment waarop het arbeidsvermogen verloren is gegaan buiten de verzekerde periode viel.
De rechtbank heeft beoordeeld dat eiser op zijn 18de verjaardag en de vijf daaropvolgende jaren arbeidsvermogen had, zoals blijkt uit dienstverbanden bij verschillende werkgevers. Ondanks beperkingen en vermoeidheid in latere jaren, voldeed eiser niet aan de strenge criteria voor een Wajong-uitkering. De bewijslast bij een laattijdige aanvraag ligt bij de aanvrager, en eiser kon onvoldoende aantonen dat hij binnen de relevante periode geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten en wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.