Eiser ontving een Tozo-uitkering en heeft tijdens de uitkeringsperiode vergoedingen ontvangen als commissielid bij een lokale politieke partij, die hij niet heeft gemeld. Verweerder legde een boete van €220,18 op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser tegen deze boete.
De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht kon aannemen dat eiser de inlichtingenplicht had geschonden en dat daarvoor een boete opgelegd kon worden. Echter, de rechtbank vond dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de specifieke omstandigheden van de zaak, waaronder het karakter van de Tozo-regeling als noodvoorziening voor zelfstandig ondernemers tijdens de coronacrisis.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van verminderde verwijtbaarheid en dat de boete daarom lager had moeten zijn. Tevens werd de boete gematigd vanwege overschrijding van de beslistermijn. Uiteindelijk stelde de rechtbank de boete vast op €0 en veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht aan eiser.