ECLI:NL:RBNHO:2023:6264

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 juli 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
10146413 CV EXPL 22-6077
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 843a RvArt. 25 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot afgifte onderhouds- en keuringsdocumenten benzinepompen

In deze zaak vorderen verhuurders van een tankstation dat de huurder, Schouten Olie B.V., op verbeurte van een dwangsom de onderhouds- en kwaliteitscertificaten en het herstelrapport van twee benzinepompen verstrekt. Deze documenten zijn na een keuring op 15 augustus 2022 opgesteld. De verhuurders stellen belang te hebben bij deze documenten om te waarborgen dat het tankstation veilig functioneert en mogelijke problemen met de verzekeraar te voorkomen.

Schouten voert verweer dat de vordering onjuist is gekwalificeerd als een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro, terwijl het feitelijk een vordering tot afgifte van stukken ex artikel 843a Rv betreft. De kantonrechter bevestigt dit en stelt dat artikel 223 Rv Pro niet van toepassing is op afgifte van stukken omdat dit geen tijdelijke voorziening is.

De kantonrechter onderzoekt vervolgens of aan de cumulatieve vereisten van artikel 843a Rv is voldaan. Dit vereist een rechtmatig belang, dat het om bepaalde bescheiden gaat en dat deze betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij partijen betrokken zijn. De verhuurders hebben onvoldoende concreet gesteld waarom Schouten over de gevraagde documenten beschikt en waarom deze relevant zijn voor hun rechtspositie.

Daarom wordt de vordering afgewezen en worden de verhuurders veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor het bepalen van een nieuwe datum voor mondelinge behandeling.

Uitkomst: De vordering tot afgifte van onderhouds- en keuringsdocumenten wordt afgewezen wegens niet voldoen aan artikel 843a Rv.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: 10146413 / CV EXPL 6077
uitspraakdatum: 12 juli 2023
Vonnis van de kantonrechter in het incident in de zaak van:

1.[eiser 1],

wonende te [plaats 1],
2.
[eiser 2],
wonende te [plaats 2],
eisers in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
gemachtigde mr. K.R. Stephan,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SCHOUTEN OLIE B.V.,
gevestigd te Alphen aan den Rijn,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
gemachtigde mr. B.A. Wille.
Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en Schouten genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord
  • het tussenvonnis van 28 december 2022
  • de aanvullende producties 8, 9 en 10 van de zijde van [eiser 1] c.s.
  • de incidentele conclusie ex artikel 223 Rv Pro van de zijde van [eiser 1] c.s.
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
Schouten huurt van [eiser 1] c.s. een tankstation te [plaats 1]. [eiser 1] c.s. hebben de huurovereenkomst per aangetekende brief van 23 mei 2022 opgezegd tegen 1 juni 2023. Schouten heeft niet in de opzegging berust. In de hoofdzaak vorderen [eiser 1] c.s. – kort gezegd – vast te stellen dat de huurovereenkomst 1 juni 2023 is geëindigd, met veroordeling van Schouten het gehuurde te ontruimen.
2.2.
In het incident vorderen [eiser 1] c.s. – kort gezegd – Schouten op verbeurte van een dwangsom te veroordelen aan [eiser 1] c.s. de onderhouds- en kwaliteitscertificaten en/of keuringsdocumenten dan wel het herstelrapport van pomp 1 en 2 te verstrekken. Het gaat om documenten die na een keuring op 15 augustus 2022 van twee benzinepompen zouden zijn opgemaakt. [eiser 1] c.s. stellen dat zij belang hebben bij het verkrijgen van de documenten omdat zij als verhuurder erop moeten toezien dat het tankstation goed en veilig functioneert. [eiser 1] c.s. vrezen voor problemen met haar verzekeraar als na een calamiteit blijkt dat twee benzinepompen niet zijn goedgekeurd.
2.3.
Schouten voert als verweer aan dat de vordering geen voorlopige voorziening inhoudt in de zin van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), maar een vordering op grond van artikel 843a Rv tot afgifte van stukken. Volgens Schouten voldoet de vordering niet aan de eisen van artikel 843a Rv. Het gaat om stukken met een publiekrechtelijk karakter.[eiser 1] c.s. kunnen de beschikking daarover krijgen via een WOO-verzoek. Schouten houdt het erop dat [eiser 1] c.s. hun in de hoofdzaak ingenomen stelling dat Schouten zich niet als een goed huurder gedraagt, met de stukken van enige onderbouwing trachten te voorzien.
2.4.
De kantonrechter stelt voorop dat hoewel [eiser 1] c.s. hun vordering baseren op artikel 223 Rv Pro zij zich daarbij baseert op een onjuiste rechtsregel. Artikel 223 Rv Pro ziet op toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding. Afgifte van de gevraagde stukken kan niet worden aangemerkt als een tijdelijke voorziening voor de duur van het geding. De afgifte kan na afloop van het geding niet meer ongedaan gemaakt worden omdat de kennis van [eiser 1] c.s. van de inhoud van die stukken niet meer ongedaan gemaakt kan worden.
2.5.
Feitelijk is de vordering van [eiser 1] c.s. een vordering op grond van artikel 843a Rv. Op grond van het bepaalde in artikel 25 Rv Pro dient de rechter ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. Dit betekent dat het feit dat [eiser 1] c.s. de aan hun vordering ten grondslag gelegde rechtsverhouding onjuist heeft gekwalificeerd, de rechter niet ontslaat van zijn uit dat artikel voortvloeiende verplichting om ambtshalve te onderzoeken of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten die vordering kunnen dragen. (ECLI:NL:HR:1998:ZC2655).
2.6.
Artikel 843a Rv geeft geen onbeperkt recht op inzage van bescheiden ten opzichte van degene die deze stukken tot zijn beschikking of onder zich heeft. Artikel 843a stelt het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk van een aantal cumulatieve vereisten. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de eiser, in dit geval [eiser 1] c.s., een rechtmatig belang hebben bij de afgifte of inzage, moet het gaan om bepaalde bescheiden en moeten die bescheiden zien op een rechtsbetrekking waarbij zij partij zijn; daaronder valt mede een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad. Artikel 843a Rv biedt echter niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan eiser slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen in de hoofdzaak.
2.7.
Het is aan [eiser 1] c.s. om duidelijk te vorderen dat zij inzage verlangen én te stellen dat is voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv. In dat kader mag van [eiser 1] c.s. worden gevergd dat zij aanvoeren waarom een redelijke grond bestaat dat Schouten over die informatie beschikt en dat [eiser 1] c.s. voldoende concreet vermelden waarom die informatie relevant is voor haar rechtspositie in een potentieel of ontstaan geschil over een rechtsbetrekking waarbij zij partij zijn. [1]
2.8
[eiser 1] c.s. hebben slechts uiteengezet dat de vordering voldoet aan de daaraan op grond van artikel 223 Rv Pro gestelde eisen. [eiser 1] c.s. hebben echter niet duidelijk gesteld dat zij inzage op grond van artikel 843a Rv verlangen en ook overigens hebben zij niet voldaan aan de op grond van artikel 843a Rv op hen rustende stelplicht. De kantonrechter is van oordeel dat de incidentele vordering daarom moet worden afgewezen. [eiser 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3.De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.
Bij tussenvonnis was bepaald dat op 15 mei 2023 een mondelinge behandeling zou plaatsvinden. De mondelinge behandeling is uitgesteld naar aanleiding van de ingestelde vordering in incident. De zaak wordt verwezen naar de rol om partijen de gelegenheid te bieden hun verhinderdata op te geven, waarna een datum van mondelinge behandeling zal worden bepaald.

4.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt [eiser 1] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van Schouten tot op heden begroot op € 232,00,
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.4.
verwijst de zaak naar de rol van 10 augustus 2023 voor het opgeven van verhinderdata van gemachtigden en partijen in de maanden september 2023 tot en met december 2023,
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Griffier Kantonrechter

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 498, nr. 3