Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[eiser 1]
[eiser 2]
[eiser 3]
Rechtbank Noord-Holland
Passagiers vorderden compensatie wegens een vertraagde vlucht van Amsterdam naar Houston en aansluitende vluchten, gebaseerd op EU Verordening 261/2004. De vertraging was het gevolg van een stroomstoring op Schiphol die het bagagesysteem trof, waardoor het vliegtuig later vertrok.
De rechtbank stelde vast dat de stroomstoring een buitengewone omstandigheid vormt, aangezien deze buiten de invloedsfeer van de luchtvaartmaatschappij ligt en vergelijkbaar is met een externe gebeurtenis zoals in eerdere jurisprudentie is vastgesteld. De passagiers betoogden dat de vervoerder had kunnen vertrekken zonder bagage, maar de rechtbank vond dat de vervoerder geen invloed had op de oorzaak van de vertraging en het wachten op bagage niet vergelijkbaar is met het wachten op passagiers.
Verder concludeerde de rechtbank dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te beperken, waaronder het omboeken van passagiers naar de eerstvolgende beschikbare vluchten. De passagiers kregen geen gelijk en werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen wegens buitengewone omstandigheid.