Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[eiser 1]
[eiser 2],
[eiser 3],
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
Rechtbank Noord-Holland
In deze kort geding procedure vorderen eisers dat gedaagden worden verboden de haven anders te gebruiken dan bepaald in een akte uit 1970, en dat zij een erfdienstbaarheid tot aanmeren in de doorvaarthaven niet mogen uitoefenen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het ongewis is hoe de bodemrechter hierover zal beslissen en wijst deze vorderingen af.
Daarnaast vorderen eisers een verbod op het betreden en gebruiken van de pier door gedaagden, en het verbod om het perceel van eiser te betreden. Deze vorderingen worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan bewijs van onrechtmatig betreden.
Eisers vorderen ook een voorschot op schadevergoeding wegens gederfd woongenot, maar de voorzieningenrechter acht onvoldoende aannemelijk dat sprake is van financiële schade in de gevorderde omvang en wijst deze vordering af.
Subsidiair vorderen eisers een ordemaatregel dat gedaagden maximaal één boot mogen afmeren aan de eigen oever in het voorste deel van de haven gedurende maximaal 15 minuten. De voorzieningenrechter weegt de belangen af en oordeelt dat het belang van eisers bij het voorkomen van hinder en uitzichtbelemmering zwaarder weegt dan het belang van gedaagden. Daarom wordt gedaagden verboden om tussen zonsondergang en zonsopgang een boot aan de eigen oever in het voorste deel van de haven aan te meren, met een dwangsom bij overtreding.
Eisers worden veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. De uitspraak is mondeling gedaan op 17 augustus 2023 door voorzieningenrechter L.J. Saarloos.
Uitkomst: Het aanmeren van een boot in het voorste deel van de haven tussen zonsondergang en zonsopgang wordt verboden met een dwangsom, overige vorderingen worden afgewezen.