Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) om een voorschot toe te kennen aan een voormalige werknemer op grond van de Wet WIA. Eiseres betoogde dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het toekennen van voorschotten en dat zij onterecht wordt geconfronteerd met extra kosten via de gedifferentieerde premie werkhervattingskas. De rechtbank behandelde het beroep op 26 mei 2023, waarbij verweerder niet was vertegenwoordigd.
De rechtbank overwoog dat eiseres geen eigenrisicodrager is voor de WIA-uitkering en slechts indirect via de premie gevolgen ondervindt. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) had in een vergelijkbare zaak geoordeeld dat in dergelijke omstandigheden geen procesbelang aanwezig is. De rechtbank volgde dit oordeel en stelde dat het belang van eiseres louter formeel of principieel is, wat onvoldoende is voor ontvankelijkheid.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat eiseres geen aannemelijke schade heeft onderbouwd die voortvloeit uit het voorschotbesluit. Hierdoor is het procesbelang niet aannemelijk en is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M. Jurgens op 30 juni 2023.