De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder over huurachterstand, servicekosten en schoonmaakkosten na beëindiging van een huurovereenkomst van een zelfstandige woning.
De verhuurder vordert betaling van huurachterstand over 2019-2021, achterstallige servicekosten vanaf 2014 en incassokosten. De huurder betwist deels de vordering en voert aan dat de woning door gebreken onbewoonbaar was en zij daarom niets meer verschuldigd zou zijn.
De kantonrechter oordeelt dat de huurder een huurachterstand heeft laten ontstaan en wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand toe, met uitzondering van de huur over november en december 2021 omdat de huurovereenkomst met wederzijdse toestemming per 31 oktober 2021 eindigde. De vordering inzake servicekosten wordt afgewezen omdat de verhuurder geen gespecificeerde jaarafrekeningen heeft verstrekt en de wettelijke termijn voor het instellen van vorderingen is verstreken. Ook de incassokosten worden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
De schoonmaakkosten worden niet toegewezen omdat de verhuurder deze onvoldoende heeft onderbouwd. De wettelijke rente wordt toegewezen over het toegewezen bedrag. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.