Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
Rechtbank Noord-Holland
In deze zaak vordert de zoon voortzetting van de huurovereenkomst van de woning die zijn overleden ouders huurden. Hij stelt dat hij met zijn ouders een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en dat hij in staat is de huur te betalen, zodat hij op grond van artikel 7:268 BW Pro gerechtigd is de huurovereenkomst voort te zetten.
De kantonrechter oordeelt dat de zoon niet heeft voldaan aan de verzwaarde stelplicht om het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding aannemelijk te maken. De enkele inschrijving in het bevolkingsregister is onvoldoende, en er is geen concreet bewijs geleverd over gezamenlijke huishoudelijke activiteiten, kostenverdeling of sociale omgang.
Daarnaast is onvoldoende gebleken dat de zoon voldoende financiële waarborg biedt voor de nakoming van de huurovereenkomst op de lange termijn. Hoewel hij de huur tot nu toe heeft betaald, is zijn inkomen ontoereikend om onvoorziene kosten te dekken, en zijn stellingen over hogere uitkering en spaargeld zijn niet onderbouwd.
De vordering wordt daarom afgewezen. De kantonrechter benadrukt dat er geen ruimte is om op grond van redelijkheid en billijkheid van de wettelijke vereisten af te wijken. De zoon wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens ontbreken van duurzame gemeenschappelijke huishouding en onvoldoende financiële waarborg.