Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot opheffing van het bij beschikking van 26 april 2012 ingestelde bewind over haar goederen. Zij stelt dat zij inmiddels met pensioen is, geen hulp meer nodig heeft en haar financiële zaken zelf kan regelen. Tevens wijst zij op de lasten van het bewind en haar nieuwe relatie die haar ondersteunt.
De bewindvoerder betwist het verzoek en wijst op het mislukte uitstroomtraject, het ontstaan van nieuwe schulden door onterechte bijstand, en het feit dat verzoeker niet opgewassen is tegen de herhaaldelijke geldverzoeken van haar oudste zoon, wat heeft geleid tot financiële problemen en de verkoop van haar huis. De bewindvoerder benadrukt dat het bewind een noodzakelijke rem op de geldstroom naar de zoon vormt.
De kantonrechter oordeelt dat de noodzaak van het bewind nog steeds bestaat omdat verzoeker onvoldoende weerstand kan bieden aan de geldverzoeken van haar zoon, wat haar financiële situatie bedreigt. De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing af en stelt dat een nieuw verzoek niet eerder dan een jaar na deze beslissing kan worden ingediend, mogelijk wanneer verzoeker met hulp van haar partner andere keuzes kan maken.