ECLI:NL:RBNHO:2024:11936
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verbeurde dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar handhavingslast
Eiser diende op 18 mei 2022 een handhavingsverzoek in tegen het volbouwen van een achtererf zonder vergunning. Het college legde een last onder dwangsom op aan de overtreder, die daartegen bezwaar maakte op 21 oktober 2022. Verweerder besloot niet tijdig op het bezwaar, waarop eiser op 17 maart 2023 ingebreke stelde en vervolgens op 17 mei 2023 beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen.
Verweerder nam op 15 juni 2023 alsnog een besluit op het bezwaar, waarbij het primaire besluit werd gehandhaafd. Eiser stelde geen inhoudelijk beroep in tegen dit besluit, maar handhaafde zijn beroep op vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom en vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank oordeelde dat eiser belanghebbende is bij het tijdig beslissen op het bezwaar en dat het beroep ontvankelijk is voor zover het ziet op de vaststelling van de dwangsom. Omdat verweerder meer dan 42 dagen te laat was, is het maximale dwangsom bedrag van €1.442,- verbeurd. Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van €875,- en het griffierecht van €184,-.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking had op het inhoudelijke besluit op bezwaar, omdat eiser zich daarmee had kunnen verenigen. De uitspraak is gedaan door rechter E.J. van Keken en griffier N.L. Pruntel op 13 november 2024.
Uitkomst: Verweerder heeft het maximale bedrag van €1.442,- aan dwangsommen verbeurd en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.