ECLI:NL:RVS:2022:3757
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.TH. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit Waterschap Limburg over handhaving dijkverhoging Kampweg
Appellant verzocht het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg handhavend op te treden tegen de ophoging van een dijk en dijkovergang nabij zijn woning en percelen in Bergen. Het projectplan voorzag een verhoging van 45 cm, maar de dijkovergang bleek 85 cm hoger te zijn. Het dagelijks bestuur wees het verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond wegens gebrek aan belanghebbende status.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellant inmiddels zijn woning had verkocht, maar nog eigenaar was van aangrenzende percelen die feitelijke gevolgen ondervinden van de hogere dijkovergang. Hierdoor is appellant wel belanghebbende bij het besluit. De Afdeling oordeelde dat de dijkovergang niet overeenkomstig het projectplan was aangelegd, omdat de overhoogte niet in het plan was geregeld en het dagelijks bestuur artikel 5.4 van de Waterwet had overtreden.
Het dagelijks bestuur had onvoldoende onderbouwd dat handhaving onevenredig zou zijn. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar, en gelastte dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit neemt. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg om het handhavingsverzoek af te wijzen wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.