Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot opheffing van het bij beschikking van 11 februari 2022 ingestelde bewind over zijn goederen. Hij stelt dat hij inmiddels in staat is zijn financiën zelf te beheren, betrokken is bij zijn financiële situatie en een goed inkomen heeft waarmee hij zijn schulden binnen 18 maanden kan aflossen. Tevens wijst hij op de besparing van bewindvoerderskosten en uit zijn onvrede over de bewindvoerder die volgens hem onvoldoende spaargedrag stimuleert.
De bewindvoerder voert verweer en benadrukt dat het bewind destijds is ingesteld vanwege problematische schulden die nog steeds aanwezig zijn. Verzoeker heeft het schuldhulptraject niet voortgezet en maakt soms aankopen zonder overleg. Ook wordt rekening gehouden met de aanstaande geboorte van een kind, waarvoor een financiële buffer nodig is.
De kantonrechter overweegt dat het bewind kan worden opgeheven indien de noodzaak daarvoor is komen te vervallen of voortzetting niet zinvol is. Uit de stukken en zitting blijkt dat er nog circa €10.000 aan schulden is, exclusief een schuld bij DUO. Gezien het inkomen en het onderhoud van drie personen acht de kantonrechter het onwaarschijnlijk dat verzoeker de schulden binnen 18 maanden kan aflossen. Bovendien zijn er zonder overleg aankopen gedaan en bezit verzoeker met zijn partner twee auto's zonder voldoende financiële dekking, wat strijdig is met zijn stelling om schulden snel af te lossen.
Daarom wordt het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen.