Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 25 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil14. In geschil is of de utb terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of er terecht omzetbelasting ter zake van invoer en rente op achterstallen in rekening is gebracht.
Op grond van artikel 77, derde lid, van het DWU is de schuldenaar van de douaneschuld de aangever. Op grond van artikel 7:6 van Pro de Adw geschiedt de mededeling van het bedrag aan rechten aan de schuldenaar door het toezenden van een op een aanslagbiljet vermelde utb.
De vergunning artikel 23 is Pro ingetrokken omdat [naam B.V.] op geen enkel moment over de desbetreffende goederen beschikte en de goederen niet gebruikte in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten. [naam B.V.] is slechts betrokken bij de logistiek. Op grond van de vaststaande feiten kan niet anders worden geoordeeld dan dat de goederen niet bestemd waren voor [naam B.V.] . Omdat de goederen niet bestemd waren voor [naam B.V.] , kon de verleggingsregeling bij invoer zoals bedoeld in artikel 23 van Pro de Wet OB niet worden toegepast. In de vergunning zelf is niet opgenomen voor welke goederen de vergunning artikel 23 mocht Pro worden gebruikt. De werking van de vergunning is aldus dat het de verantwoordelijkheid is van degene aan wie de vergunning is verleend, om deze aan te wenden voor goederen in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten. [naam B.V.] heeft de vergunning echter gebruikt voor andere goederen dan goederen in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten.
Nu artikel 23 Wet Pro OB niet van toepassing was, en artikel 23 een Pro uitzondering is op artikel 22 Wet Pro OB, vloeit de verplichting tot betaling van de omzetbelasting voort uit artikel 22 van Pro de Wet OB. Eiseres kan op grond van artikel 77, derde lid, van het DWU als schuldenaar worden aangemerkt omdat eiseres de aangever is. De bevoegdheid vloeit ook voort uit artikel 3, lid 5 (ten tijde van de utb lid 3), onder c van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, waarin is vermeld dat de Douane is belast met de heffing en inning van de omzetbelasting, tenzij artikel 23 van Pro de Wet OB toepassing vindt. Nu artikel 23 van Pro de Wet OB geen toepassing vindt, is de Douane bevoegd om in dit geval de omzetbelasting na te heffen middels een utb. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder in de onderhavige situatie niet bevoegd zou zijn tot heffing slaagt derhalve niet.
Zo was in het arrest Hof van Justitie van 23 september 2003, zaak C-78/01, Bundesverband Güterkraftverkehr und Logistik (ECLI:EU:C:2003:490) sprake van een zodanige verwijzing in Verordening 2454/93 naar de TIR-overeenkomst, dat op één en dezelfde situatie tegelijkertijd twee verschillende termijnen van toepassing waren. En Hof van Justitie 13 februari 1996, zaak C-143/93, Gebroeders Van Es Douane Agenten (ECLI:EU:C:1996:45) betrof een situatie waarin de Europese Commissie had nagelaten een indelingsverordening die was vastgesteld onder de werking van het Gemeenschappelijk Douanetarief (GDT, Verordening 97/69) na invoering van de GN aan te passen, terwijl de desbetreffende bepalingen van de GN niet gelijkluidend waren aan die van het GDT. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze en andere arresten – bijvoorbeeld Hof van Justitie 9 juli 1981, zaak 169/80, Gondrand Frères en Garancini (ECLI:EU:C:1981:171) en Hof van Justitie 22 februari 1989, gevoegde zaken 92/87 en 93/87, Commissie/Frankrijk en Verenigd Koninkrijk (ECLI:EU:C:1989:77) – dat van schending van het rechtszekerheidsbeginsel eerst sprake kan zijn indien wetgeving gebrekkig is of geheel ontbreekt. Een dergelijke situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor.