Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 25 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil13. In geschil is of de utb terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of er terecht omzetbelasting ter zake van invoer en rente op achterstallen in rekening is gebracht.
Eiseres heeft op 9 februari 2018 een aanvullende aangifte ingediend over de maand januari 2018.
Nu artikel 23 van Pro de Wet OB niet van toepassing was, en artikel 23 een Pro uitzondering is op artikel 22 van Pro de Wet OB, vloeit de verplichting tot betaling van de omzetbelasting voort uit artikel 22 van Pro de Wet OB. Eiseres kan op grond van artikel 77, derde lid, van het DWU als schuldenaar worden aangemerkt omdat eiseres de aangever is. De bevoegdheid vloeit ook voort uit artikel 3, lid 5 (ten tijde van de utb lid 3), onder c van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, waarin is vermeld dat de Douane is belast met de heffing en inning van de omzetbelasting, tenzij artikel 23 van Pro de Wet OB toepassing vindt. Nu artikel 23 van Pro de Wet OB geen toepassing vindt, is de Douane bevoegd om in dit geval de omzetbelasting na te heffen middels een utb.