De zaak betreft een kort geding over de afgifte van de hond Woezel, die gemeenschappelijk eigendom was van eiser en diens ex-partner. Na het verlaten van de gezamenlijke woning door eiser en haar kinderen, bleef de hond bij de ex-partner, die er een jaar voor zorgde. De broer van gedaagde vond de hond op straat en gaf deze aan de politie, waarna de ex-partner afstand deed van de hond via een verklaring.
Eiser vorderde afgifte van Woezel, stellende dat de ex-partner niet bevoegd was om afstand te doen van de gemeenschappelijke eigendom. Gedaagde beriep zich op derdenbescherming en te goeder trouw verkregen eigendom op basis van politieverklaringen en de afstandsverklaring.
De rechtbank oordeelde dat eiser weliswaar mede-eigenaar is, maar dat gezien de mededelingen aan de politie en de feitelijke zorg door de ex-partner, de politie en gedaagde redelijk mochten aannemen dat de ex-partner bevoegd was om afstand te doen. Het beroep op onbevoegde vertegenwoordiging faalde. De vordering werd daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.