Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De beoordeling van het verzoek
Onder het eindigen van de zaak dient in dit verband te worden verstaan het onherroepelijk worden van de beslissing op het op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift. [1]
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 9 februari 2024 een verzoek tot schadevergoeding van verzoekster, die vergoeding vorderde voor kosten van een raadsman in verband met een klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv. Het klaagschrift was op 20 juni 2023 gegrond verklaard door de rechtbank. Verzoekster vroeg vergoeding van kosten van de raadsman voor zowel de klaagschriftprocedure als het huidige verzoek.
Volgens artikel 530 Sv Pro kan een gewezen verdachte aanspraak maken op vergoeding van kosten van een raadsman indien de strafzaak is geëindigd zonder strafoplegging en zonder toepassing van artikel 9a Sr. Dit geldt ook voor klaagschriften zoals bedoeld in artikel 552a Sv, mits het verzoek binnen drie maanden na het definitief eindigen van de zaak wordt ingediend.
In deze zaak had de officier van justitie op 7 juli 2023 cassatie ingesteld tegen de beslissing van 20 juni 2023, waardoor de beslissing nog niet onherroepelijk is. Hierdoor is de zaak formeel nog niet geëindigd en is het verzoek tot vergoeding niet ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het verzoek dan ook niet-ontvankelijk. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het gerechtshof.
Uitkomst: Verzoek tot schadevergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens lopende cassatieprocedure.