Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2024:3436

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 april 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
10417245 \ CV EXPL 23-1066
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 BWArt. 7:58 lid 3 BWArt. 3:40 lid 2 BWArt. 3:53 BWArt. 6:203 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering ING Bank tot betaling wegens onverschuldigde betaling na vernietiging doorlopend krediet

ING Bank vordert betaling van € 875,32 plus wettelijke rente van de gedaagde wegens een doorlopend krediet met een limiet van € 2.000,00. ING erkent niet te beschikken over bewijs van naleving van de precontractuele informatieplicht zoals vereist in artikel 7:60 BW Pro en kiest daarom voor een vordering op grond van onverschuldigde betaling.

De rechtbank constateert dat ING niet heeft voldaan aan de verplichting om de gedaagde geruime tijd voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst de juiste precontractuele informatie te verstrekken. Dit leidt tot vernietiging van de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro. Hierdoor ontstaat een situatie van onverschuldigde betaling die ING recht geeft op terugbetaling van de reeds verstrekte kredietsom.

De rechtbank wijst de vordering van ING toe op de subsidiaire grondslag van onverschuldigde betaling, waarbij de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 875,32 plus wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De proceskosten worden eveneens aan de gedaagde opgelegd, met uitzondering van de kosten voor het nemen van de akte die voor rekening van ING blijven.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 875,32 plus wettelijke rente en proceskosten wegens onverschuldigde betaling na vernietiging van de kredietovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10417245 \ CV EXPL 23-1066
Uitspraakdatum: 4 april 2024
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ING Bank N.V.
gevestigd te Amsterdam
de eisende partij
verder te noemen: ING
gemachtigde: Flanderijn gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 7 september 2023 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter ING in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 2 november 2023 heeft gedaan. Bij exploot van 19 oktober 2023 heeft de eisende partij het tussenvonnis, een brief van de rechtbank van 6 oktober 2023 en de akte aan de gedaagde partij laten betekenen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
ING vordert – na wijziging van eis- veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 875,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. Daarnaast vordert zij veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten.
Doorlopend krediet
2.2.
In de akte heeft ING gesteld dat zij op 25 augustus 2020 met de gedaagde partij een kredietfaciliteit (doorlopend krediet) is overeengekomen met een limiet van
€ 2.000,00. ING beschikt niet meer over de stukken waaruit blijkt dat zij heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Om die reden kiest ING ervoor om geen aanspraak te maken op de contractuele rente.
2.3.
Verder heeft ING toegelicht dat in de met de gedaagde partij gesloten kredietovereenkomst en in de toepasselijke voorwaarden is bepaald dat de gedaagde partij gedurende één volledige dag per drie maanden een positief saldo op haar betaalrekening moe(s)t hebben. De gedaagde partij is volgens ING meerdere keren gewezen op deze verplichting. De gedaagde partij heeft het debetsaldo, ondanks herhaalde aanmaningen, niet aangevuld en daarom heeft ING de kredietlimiet beëindigd. Het volledige debetsaldo dat op dat moment op de betaalrekening stond, kwalificeerde vanaf dat moment als een ongeoorloofde debetstand, aldus ING.
Geen stukken overgelegd waaruit de opbouw van de vordering blijkt
2.4.
Voorop gesteld dient te worden dat ING heeft nagelaten om een compleet overzicht van het verloop van de roodstand aan te leveren, waaruit de opbouw van de vordering blijkt (hoofdsom zonder rente), terwijl zij hiertoe wel in de gelegenheid is gesteld. De kantonrechter zal daar echter geen sanctie aan verbinden, gelet op het volgende.
Artikel 7:58 lid 3 BW Pro
2.5.
Uit de stellingen van ING begrijpt de kantonrechter dat in dit geval sprake is geweest van een kredietovereenkomst waarbij het krediet in de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening is verleend en binnen een termijn van drie maanden moest worden terugbetaald, zoals bedoeld in artikel 7:58 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Op dergelijke kredietovereenkomsten zijn niet alle bepalingen van titel 2A boek 7 BW van toepassing, maar uitsluitend de in artikel 7:58 lid 3 BW Pro genoemde artikelen. De kantonrechter leest artikel 7:58 lid 3 BW Pro in samenhang met artikel 2 lid 3 van Pro de Richtlijn 2008/48/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG (hierna: de Richtlijn), omdat dit artikel daarop gebaseerd is. Uit die artikelen in samenhang bezien vloeit onder meer voort dat in geval van een kredietovereenkomst in de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening die binnen drie maanden moet worden terugbetaald, door de kredietgever geruime tijd voorafgaand aan een aanbod of het sluiten van een dergelijke overeenkomst de informatie als bedoeld in artikel 6 van Pro de Richtlijn moet worden verschaft. Dat betekent dat ook bij een dergelijke kredietovereenkomst moet zijn voldaan aan artikel 7:60 lid 1 BW Pro voor zover daarin is verwezen naar artikel 6 van Pro de Richtlijn. Daarnaast is artikel 4:34 van Pro de Wet op het financieel toezicht (Wft) van toepassing.
Informatieverplichtingen kredietgever: artikel 7:60 BW Pro
2.6.
Op grond van het voorgaande geldt in dit geval dat ING op grond van artikel 7:60 lid 1 BW Pro de gedaagde partij ‘geruime tijd’ voordat deze door de kredietovereenkomst werd gebonden, de in artikel 6 van Pro de Richtlijn voorgeschreven precontractuele informatie moest verstrekken, op de in dat artikel voorgeschreven wijze. Dit kan door middel van het formulier ‘Europese Consumentenkredietinformatie voor 1) geoorloofde debetstand op een rekening’ (zie bijlage III bij de Richtlijn).
2.7.
In dit geval heeft ING gesteld dat zij de informatie van het formulier ‘Europese Standaard Informatie inzake Consumentenkrediet’ op 25 augustus 2020 aan de gedaagde partij heeft toegestuurd, tegelijkertijd met het toesturen van de offerte voor de kredietfaciliteit. In de eerste plaats constateert de kantonrechter dat ING dus een ander formulier en daarmee niet de juiste informatie aan de gedaagde partij heeft verschaft. Daarnaast is van belang dat ING niet heeft gesteld dat zij die informatie geruime tijd voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de gedaagde partij heeft verstrekt. Daar is ook niet van gebleken, omdat de kredietovereenkomst nog op diezelfde dag, 25 augustus 2020, tot stand is gekomen. De kantonrechter oordeelt al met al dat ING de gedaagde partij niet ‘geruime tijd’ voordat zij werd gebonden aan de kredietovereenkomst, de in artikel 7:60 lid 1 BW Pro bedoelde precontractuele informatie heeft verstrekt.
2.8.
Overigens heeft ING gesteld dat zij niet meer over de stukken beschikt waaruit blijkt dat zij heeft voldaan aan haar (pre)contractuele informatieverplichtingen en zij heeft ook geen toelichting gegeven op die verplichtingen. In elk geval staat vast dat ING voor het sluiten van de overeenkomst niet (volledig) aan de verplichting van artikel 7:60 lid 1 BW Pro heeft voldaan
.Hiermee verricht ING een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193b BW (artikel 7:60 lid 3 BW Pro). Gelet daarop acht de kantonrechter vernietiging van de kredietovereenkomst een passende maatregel. Dit betekent dat de kantonrechter de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro ambtshalve zal vernietigen. Aan de toetsing van de overige (pre)contractuele (informatie)plichten komt de kantonrechter niet meer toe. De vordering kan vanwege het voorgaande niet worden toegewezen op de primaire grondslag.
Subsidiaire grondslag
2.9.
ING heeft subsidiair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij in geval van vernietiging van de overeenkomst een vordering heeft op de gedaagde partij op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro). De vordering is op die grond wel toewijsbaar.
Door de terugwerkende kracht van de vernietiging (artikel 3:53 BW Pro) is sprake van een situatie waarin het geldbedrag dat ING aan de gedaagde partij beschikbaar heeft gesteld (de kredietsom) zonder rechtsgrond is verstrekt. Daarom moet de gedaagde partij de kredietsom terugbetalen op grond van artikel 6:203 BW Pro (onverschuldigde betaling), uiteraard slechts voor zover dat bedrag niet al terugbetaald is. Verder geldt dat de gedaagde partij geen rente en kosten op grond van de overeenkomst verschuldigd is (geworden).
2.10.
ING heeft gesteld dat de hoofdsom € 1.207,37 bedraagt, dat zij bij de gedaagde partij een bedrag van € 82,05 aan rente in rekening heeft gebracht en dat de gedaagde partij reeds een bedrag van € 250,00 heeft voldaan. Dit betekent dat de gedaagde partij nog een bedrag van € 875,32‬ (€ 1.207,37 - € 82,05 - € 250,00) aan ING moet betalen. De vordering van ING zal dan ook worden toegewezen op de subsidiaire grondslag. De daarover gevorderde rente vanaf de datum van de dagvaarding is ook toewijsbaar.
Proceskosten
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van de gedaagde partij, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt. De kosten voor het nemen van de akte blijven echter voor ING omdat het aan haar te wijten is dat het nodig was om de akte te nemen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan ING van € 875,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2023 tot de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van ING tot en met vandaag vaststelt op:
€ 130,67 wegens dagvaardingskosten,
€ 128,00 wegens griffierecht en
€ 135,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter