Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2024:8489

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 augustus 2024
Publicatiedatum
19 augustus 2024
Zaaknummer
AWB - 22 _ 3524
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Douanewetboek van de UnieArt. 8:60 AwbVerordening (EG) nr. 397/2004Verordening (EG) nr. 695/2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid beroep inzake terugbetaling antidumpingrechten op Pakistaans beddenlinnen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek om terugbetaling van antidumpingrechten op katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan. De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid van het beroep en onderzoekt of sprake is van een geringe verschrijving in de naam van eiseres.

De rechtbank oordeelt dat eiseres en de derde rechtspersoon verschillende juridische entiteiten zijn en dat geen sprake is van een geringe verschrijving. Eiseres heeft geen rechtstreeks en individueel belang bij het terugbetalingsverzoek dat door de derde is ingediend. Hierdoor staat voor eiseres geen beroep open.

Het verzoek om de naam van eiseres te wijzigen wordt afgewezen en het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige douanekamer van de rechtbank Noord-Holland op 19 augustus 2024.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan rechtstreeks en individueel belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/3524

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 19 augustus 2024 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.C. van de Leur),
en

de inspecteur van de Douane, kantoor Breda.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van eiseres.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van een bezwaar tegen de afwijzing van diverse verzoeken om terugbetaling.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om van de beroepen inzake geheven antidumpingrechten op Pakistaans beddenlinnen die zij voor diverse eiseressen heeft ingesteld, één voorbeeldzaak te selecteren voor behandeling. De rechtbank heeft alle beroepen inzake antidumpingrechten op Pakistaans beddenlinnen gevoegd op één zitting behandeld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2024 op zitting behandeld. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door mr. [naam 1] . Bij delen van de zitting waren aanwezig: [naam 2] (aanwezig namens de eiseres in zaak HAA 22/3523), [naam 3] (aanwezig namens de eiseres in zaken HAA 22/3541 en HAA 22/3542) en [naam 4] (aanwezig namens de eiseres in de zaak HAA 22/3521). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 5] en mr. [naam 6] .
Voor sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de zaken gesplitst.

Feiten

1.1
Op grond van artikel 1 van Pro de Verordening (EG) nr. 397/2004 van de Raad van 2 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan (Verordening 397/2004) is op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan een definitief antidumpingrecht vastgesteld van 13,1%. Deze verordening is gewijzigd met de Verordening (EG) nr. 695/2006 van de Raad van 5 mei 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 397/2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan (Verordening 695/2006), waarbij op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan – afhankelijk van de fabrikant – een definitief antidumpingrecht is ingesteld van 0% tot 8,5%.
1.2
Op 16 juli 2007 heeft [naam 7] , directeur van [bedrijf 1] B.V., een verzoek om terugbetaling ingediend voor betaalde antidumpingrechten over de invoer van katoenhoudend beddenlinnen in de jaren 2004 tot en met 2006. Partijen zijn het erover eens dat in het onderhavig beroep het geschil gaat om 35 aangiften voor het vrije verkeer en een bedrag van in totaal € 122.425,53 aan antidumpingrechten.
1.3
Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en heeft zijn beschikking gericht aan [bedrijf 2] B.V.
1.4
De gemachtigde heeft namens [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing.
1.5
Tot de stukken van het geding behoort een volmacht van [bedrijf 2] B.V. (h.o.d.n. [eiseres] ) aan [bedrijf 1] B.V. en de gemachtigde om de B.V. te vertegenwoordigen in alle juridische aangelegenheden aangaande betaalde antidumpingheffingen.
1.6
Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard in een uitspraak op bezwaar die is gericht aan [eiseres] B.V.

Geschil en standpunten van partijen

2.1
Achtergrond van het geschil is de aan [bedrijf 2] B.V. gerichte beslissing op het verzoek om terugbetaling. Meer in het bijzonder is in geschil de geldigheid van Verordening 397/2004 en van Verordening 695/2006. Eiseres bestrijdt op meerdere gronden de geldigheid van deze verordeningen. Zij verzoekt de rechtbank hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Tevens verzoekt zij om vergoeding van rente over de betaalde antidumpingrechten, wanneer deze rechten terugbetaald moeten worden omdat de verordeningen ongeldig blijken.
2.2
Eiseres betoogt dat haar beroep ontvankelijk is, omdat sprake is van een geringe verschrijving in de uitspraak op bezwaar en omdat duidelijk is dat het niet handelt om [eiseres] B.V. maar om [bedrijf 2] B.V. Daarom zou [bedrijf 2] B.V. als eiseres gelezen moeten worden.
2.3
Verweerder betoogt dat het bezwaar per abuis is ingeboekt op naam van [eiseres] B.V. De uitspraak op bezwaar had gericht moeten zijn aan [bedrijf 2] B.V. Verweerder verzoekt eiseres ontvankelijk te achten in haar beroep. Verweerder betoogt verder dat geen reden is om aan te nemen dat de verordeningen ongeldig zijn en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling door de rechtbank

Horen als deskundige3.1Vlak voor zitting, namelijk zeven minuten voor aanvang, heeft eiseres per e-mailbericht aan de rechtbank aangeboden om de heer [naam 3] als deskundige te horen. Artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) regelt de procedure voor het oproepen van deskundigen. Omdat niet aan de vereisten van artikel 8:60, vierde lid, van de Awb was voldaan, heeft de rechtbank heeft het verzoek ter zitting afgewezen.

Hoedanigheid van eiseres
3.2
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een geringe verschrijving in de adressant van de uitspraak op bezwaar, waardoor [eiseres] B.V. gelezen zou moeten worden als [bedrijf 2] B.V. Daarvoor verschillen de namen [eiseres] B.V. en [bedrijf 2] B.V. te veel.
3.3
[eiseres] B.V. en [bedrijf 2] B.V. zijn beide bestaande juridische entiteiten. Zij zijn verschillende, niet met elkaar te vereenzelvigen, rechtspersonen met eigen inschrijvingen in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Een na afloop van de beroepstermijn afgelegde verklaring kan niet alsnog bewerkstelligen dat het beroep is ingesteld door of namens een ander dan degene door of namens wie het beroepschrift is ingediend. [1] Het verzoek om in plaats van [eiseres] B.V. als eiseres, een andere rechtspersoon, namelijk [bedrijf 2] B.V. als eiseres te lezen, wijst de rechtbank dan ook af.
De ontvankelijkheid van eiseres
3.4
Blijkens het beroepschrift van 21 april 2022 heeft de gemachtigde “namens cliënte [eiseres] B.V.” beroep ingesteld tegen een aan [eiseres] B.V. gerichte uitspraak op bezwaren die waren gemaakt door [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. Eiseres heeft bij haar beroep gevoegd een machtiging van [bedrijf 2] B.V. (h.o.d.n. [eiseres] ) en een uittreksel uit het handelsregister van [eiseres] B.V.
3.5
Bij brief van 28 februari 2024 heeft de rechtbank vragen gesteld over de relatie tussen de indiener van het verzoek en de bezwaarmaker [bedrijf 2] B.V. Eiseres heeft geantwoord dat zij door [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. beide gemachtigd was om bezwaar te maken en dat zij voor het bezwaar van [bedrijf 2] B.V. aanknoopt bij de partij die de invoeraangifte als indirect vertegenwoordiger heeft verzorgd: [bedrijf 2] B.V.
3.6.
[eiseres] B.V. heeft blijkens het beroepschrift het beroep ingesteld en is dus aan te merken als eiseres. Op grond van artikel 44, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie heeft eenieder het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken. Eiseres heeft geen rechtstreeks en individueel belang bij het verzoek om terugbetaling dat is gedaan door [bedrijf 1] B.V en dat betrekking heeft op door een ander verschuldigde antidumpingrechten. Dit betekent dat voor eiseres geen beroep openstaat.

Conclusie en gevolgen|

4. [eiseres] B.V. is eiseres in onderhavige zaak, maar voor haar staat geen beroep open. Haar beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. S.J. Richters en
mr. W.M.C. Schipper , leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1234, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5484.