ECLI:NL:RBNHO:2024:8494

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 augustus 2024
Publicatiedatum
19 augustus 2024
Zaaknummer
AWB - 22 _ 3537
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Douanewetboek van de UnieVerordening (EG) nr. 397/2004Verordening (EG) nr. 695/2006Art. 8:60 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken rechtstreeks en individueel belang bij terugbetaling antidumpingrechten

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek om terugbetaling van antidumpingrechten op katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan. Het verzoek tot terugbetaling was echter ingediend door een andere rechtspersoon, [bedrijf 2] B.V., terwijl het beroep was ingesteld door [eiseres] B.V., twee verschillende en niet met elkaar te vereenzelvigen entiteiten.

De rechtbank heeft onderzocht of sprake was van een geringe verschrijving in de naamgeving, maar concludeerde dat de namen te verschillend zijn om [bedrijf 2] B.V. als eiseres te lezen. Bovendien ontbrak een uittreksel uit het handelsregister van eiseres, terwijl wel stukken over heropening van de vereffening van een andere B.V. waren overgelegd.

Op grond van artikel 44, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie moet een eiser een rechtstreeks en individueel belang hebben bij het verzoek om terugbetaling. Aangezien dit belang ontbrak, was het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank wees het verzoek om vergoeding van griffierecht en proceskosten af.

De rechtbank wees ook een verzoek om een deskundige te horen af vanwege niet-naleving van procedurele vereisten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en is openbaar uitgesproken op 19 augustus 2024.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van rechtstreeks en individueel belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/3537

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 19 augustus 2024 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.C. van de Leur),
en

de inspecteur van de Douane, kantoor Breda, verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van eiseres.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen de afwijzing van een verzoek om terugbetaling.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om van de beroepen inzake geheven antidumpingrechten op Pakistaans katoenhoudend beddenlinnen die zij voor diverse eiseressen heeft ingesteld, één voorbeeldzaak te selecteren voor behandeling. De rechtbank heeft alle beroepen inzake antidumpingrechten op Pakistaans katoenhoudend beddenlinnen gevoegd op één zitting behandeld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2024 op zitting behandeld. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door mr. [naam 1] . Bij delen van de zitting waren aanwezig: [naam 2] (aanwezig namens de eiseres in zaak HAA 22/3523), [naam 3] (aanwezig namens de eiseres in zaken HAA 22/3541 en HAA 22/3542) en [naam 4] (aanwezig namens de eiseres in de zaak HAA 22/3521). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 5] en mr. [naam 6] .
Voor sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de zaken gesplitst.

Feiten

1.1
Op grond van artikel 1 van Pro de Verordening (EG) nr. 397/2004 van de Raad van 2 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan (Verordening 397/2004) is op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan een definitief antidumpingrecht vastgesteld van 13,1%. Deze verordening is gewijzigd met de Verordening (EG) nr. 695/2006 van de Raad van 5 mei 2006 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 397/2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan (Verordening 695/2006), waarbij op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan – afhankelijk van de fabrikant – een definitief antidumpingrecht is ingesteld van 0% tot 8,5%.
1.2
In de periode van 10 juli 2006 tot en met 22 juli 2008 heeft [bedrijf 1] B.V. in naam en voor rekening van [bedrijf 2] B.V. diverse aangiften voor het vrije verkeer gedaan van katoenhoudend beddenlinnen van oorsprong uit Pakistan.
1.3
Op 21 oktober 2008 heeft [bedrijf 2] B.V. een verzoek om terugbetaling ingediend voor deze aangiften, voor een bedrag van (uiteindelijk) in totaal € 160.294,92. Het verzoek om terugbetaling heeft betrekking op de antidumpingrechten die eiseres naar aanleiding van haar aangiften verschuldigd was.
1.4
Bij beslissing van 3 mei 2021 heeft verweerder het verzoek om terugbetaling afgewezen. Deze beslissing is gericht aan [bedrijf 2] B.V. Op naam van [bedrijf 2] B.V. is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaardossier geboekt op naam van [eiseres] B.V. en vervolgens de uitspraak op bezwaar gericht aan [eiseres] B.V.
1.5
Blijkens het beroepschrift van 21 april 2022 heeft de gemachtigde namens “cliënte [eiseres] B.V.” beroep ingesteld tegen een aan [eiseres] B.V. gerichte uitspraak op bezwaar. Bij het beroep is een machtiging gevoegd van [naam 7] , als gevolgmachtigde van [de stichting] Daarbij is vermeld dat de B.V. (de rechtbank leest: [bedrijf 3] B.V.) tot 2020 heeft bestaan. Verder is daarbij een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel gevoegd van [bedrijf 3] B.V. van 21 juni 2004. Op 26 juli 2022 is een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel overgelegd van [bedrijf 3] B.V. van 20 juli 2022. Daaruit blijkt dat [bedrijf 3] B.V. met ingang van 28 december 2018 is opgehouden te bestaan. Op 12 februari 2019 is [bedrijf 3] B.V. uitgeschreven uit het handelsregister.
1.6
Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde aan de rechtbank te kennen gegeven dat haar cliënte aan de Kamer van Koophandel heeft gevraagd om heropening van de vereffening van [bedrijf 2] B.V. Ter zitting heeft de gemachtigde een volmacht overgelegd ten behoeve van de heropening van de vereffening van [bedrijf 3] B.V. De rechtbank heeft geen informatie ontvangen dat de vereffening van [bedrijf 2] B.V. daadwerkelijk is heropend.

Geschil en standpunten van partijen

2.1
Ten eerste staat ter beoordeling of het beroep ontvankelijk is. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of verweerder het verzoek om terugbetaling van [bedrijf 2] B.V. terecht heeft afgewezen.
2.2
Eiseres stelt dat sprake is van een geringe verschrijving in de uitspraak op bezwaar en dat voor partijen duidelijk is dat het niet handelt om [eiseres] B.V. maar om [bedrijf 2] B.V. Daarom zou [bedrijf 2] B.V. als eiseres gelezen moeten worden.
Inhoudelijk bestrijdt eiseres op meerdere gronden de geldigheid van Verordening 397/2004 en van Verordening 695/2006. Zij verzoekt de rechtbank hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Tevens verzoekt zij om vergoeding van rente over de betaalde antidumpingrechten, wanneer deze rechten terugbetaald moeten worden omdat de verordeningen ongeldig blijken.
2.3
Verweerder betoogt dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, omdat [eiseres] B.V. geen rechtstreeks en individueel belang bij het verzoek om terugbetaling heeft. Verweerder betoogt verder dat het beroep om diezelfde reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Voor zover de rechtbank het verzoek wel ontvankelijk zou verklaren, betoogt verweerder dat het beroep ongegrond moet worden verklaard, omdat er geen reden is om aan te nemen dat de verordeningen ongeldig zijn.

Beoordeling door de rechtbank

Horen als deskundige
3.1
Vlak voor zitting, namelijk zeven minuten voor aanvang, heeft eiseres per e-mailbericht aan de rechtbank aangeboden om [naam 3] als deskundige te horen. Artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) regelt de procedure voor het oproepen van deskundigen. Omdat niet aan de vereisten van artikel 8:60, vierde lid, van de Awb was voldaan, heeft de rechtbank het verzoek ter zitting afgewezen.
Wie is de eiseres?
3.2
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een geringe verschrijving in de uitspraak op bezwaar, waardoor [bedrijf 2] B.V. gelezen zou moeten worden als [eiseres] B.V. Daarvoor verschillen de namen “ [bedrijf 2] B.V.” en “ [eiseres] B.V.” te veel.
3.3
Bij brief van 28 februari 2024 heeft de rechtbank vragen gesteld over de hoedanigheid van de verzoeker, de bezwaarmaker en eiseres in onderhavige zaak. De rechtbank heeft daarbij onder andere gevraagd om een uittreksel uit het handelsregister van eiseres. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat zij de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen als eiseres niet voldoet aan dit verzoek. De rechtbank heeft dit uittreksel niet ontvangen. Wel heeft de rechtbank stukken ontvangen over heropening van de vereffening van [bedrijf 3] B.V. Verder heeft eiseres toegelicht dat [bedrijfsnaam] destijds een handelsnaam was van de firma [bedrijf 2] en dat die naam na 2019 is overgenomen door een andere partij, die er een B.V. van heeft gemaakt.
3.4
Het verzoek om in plaats van [eiseres] B.V. als eiseres, een andere rechtspersoon, namelijk [bedrijf 2] B.V. als eiseres te lezen, wijst de rechtbank af. [eiseres] B.V. en [bedrijf 2] B.V zijn verschillende, niet met elkaar te vereenzelvigen, rechtspersonen. Een na afloop van de beroepstermijn afgelegde verklaring kan niet alsnog bewerkstelligen dat het beroep is ingesteld door of namens een ander dan degene door of namens wie het beroepschrift is ingediend. [1]
Ontvankelijkheid
3.5
[eiseres] B.V. heeft blijkens het beroepschrift het beroep ingesteld en is dus aan te merken als eiseres. Op grond van artikel 44, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie heeft eenieder het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken. Eiseres heeft geen rechtstreeks en individueel belang bij het verzoek om terugbetaling dat is gedaan door [bedrijf 2] B.V. en dat betrekking heeft op door [bedrijf 2] B.V. verschuldigde antidumpingrechten. Dit betekent dat voor eiseres geen beroep openstaat.

Conclusie en gevolgen

4. [eiseres] B.V. is eiseres in deze zaak, maar voor haar staat geen beroep open. Haar beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. S.J. Richters en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2024.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1234, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5484.