Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder.
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de rechtbank
De hier bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening Participatiewet gemeente Haarlem (Verordening).
Op grond van het negende artikellid van die Verordening ziet het college af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Op grond van het tiende lid stemt het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
Wat de rechtbank in deze motivering mist is een kenbare, op basis van een vollediger beeld van de relevante feiten en (persoonlijke) omstandigheden, afweging van verweerder waarom in het geval van eiser de aankoop van dat bedrijf en van aandelen (en de latere verkoop daarvan) onverantwoord zijn geweest en of dat tot een voorzienbaar vervroegd beroep op bijstand heeft geleid.
Daarbij dient verweerder ook het volgende in aanmerking te nemen.
In het bestreden besluit heeft verweerder die vrijheid gebruikt om gelet op de financiële omstandigheden van eiser de duur van de maatregel te beperken tot achttien maanden.
Van dringende redenen om af te zien van een maatregel is verweerder niet gebleken. Uit het bestreden besluit en het advies van de commissie blijkt dat verweerder hiertoe geen aanleiding ziet omdat de financiële omstandigheden tot rust zijn gekomen en is toegezegd de maatregel opnieuw te beoordelen als die het schulddienstverleningstraject in de weg staat.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.