In deze bodemzaak vordert de eisende partij betaling van €4.027,60 plus bijkomende kosten van de gedaagde, die verstek liet gaan. De vordering is gebaseerd op een autoverhuurcontract tussen handelaar en consument, waarbij de rechtbank ambtshalve toetst of aan de precontractuele informatieplicht volgens artikel 6:230l BW is voldaan. De eisende partij heeft onvoldoende onderbouwd dat zij deze informatieplicht heeft nageleefd, omdat zij slechts heeft gesteld dat de overeenkomst in de verkoopruimte is gesloten zonder relevante informatie expliciet aan te tonen.
Daarnaast toetst de rechtbank de toepasselijkheid en eerlijkheid van de algemene voorwaarden, waaronder de BOVAG-voorwaarden van 2021. Een beding dat de verhuurder onbeperkte administratiekosten mag doorberekenen wordt als oneerlijk beoordeeld omdat het de consument eenzijdig benadeelt zonder objectief maximum. Andere bedingen zijn niet oneerlijk bevonden.
De eisende partij krijgt de gelegenheid om zich schriftelijk uit te laten over de naleving van de informatieplicht en het oordeel over het oneerlijke beding. Indien zij hier niet of onvoldoende op reageert, kan dit leiden tot afwijzing van de vordering. De verdere beslissing wordt aangehouden tot nadere toelichting is gegeven.