ECLI:NL:RBNHO:2025:11070

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 september 2025
Publicatiedatum
26 september 2025
Zaaknummer
C/15/345816 / FA RK 23-5385
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag over minderjarige na langdurige scheiding en gebrek aan communicatie tussen ouders

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 26 september 2025 uitspraak gedaan in een verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag over haar minderjarige kind te beëindigen. De moeder, vertegenwoordigd door advocaat mr. L.S. Zomers, verzocht de rechtbank om alleen het gezag over de minderjarige [de minderjarige] uit te oefenen, omdat de ouders sinds 2015 gescheiden leven en er geen communicatie meer is tussen hen. De vader, die niet aanwezig was op de zitting, heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders getrouwd zijn geweest en dat de echtscheiding op 3 maart 2022 is uitgesproken. De minderjarige woont bij de moeder en de vader is niet betrokken in haar leven. De rechtbank heeft de procedure gevolgd, waarbij onder andere een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is ingediend, waaruit blijkt dat de vader moeilijk bereikbaar is en geen zicht heeft op de behoeften van de minderjarige. De rechtbank heeft geoordeeld dat het gezamenlijk gezag niet in het belang van de minderjarige is, omdat dit leidt tot vertraging in belangrijke gezagsbeslissingen. De rechtbank heeft daarom het verzoek van de moeder toegewezen en het gezamenlijk gezag beëindigd, zodat de moeder alleen het gezag over de minderjarige uitoefent. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
gezag
zaaknummer: C/15/345816 / FA RK 23-5385
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 26 september 2025
in de zaak van:
[de moeder]
wonende te [plaats] ,
hierna: de moeder,
advocaat mr. L.S. Zomers, kantoorhoudende te Alkmaar,
tegen
[de vader]
wonende te [plaats] ,
hierna: de vader.
betreffende
de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ingekomen op 7 november 2023;
- de beschikking van deze rechtbank van 24 juli 2024, waarbij de rechtbank de raad heeft verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag welke gezagsverhouding in het belang van [de minderjarige] is;
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 19 februari 2025, ingekomen op 20 februari 2025;
- de reactie van de moeder op het raadsrapport, ingekomen op 4 maart 2025, waarin de moeder verzoekt een zitting te plannen en een eindbeslissing te nemen;
- het bericht van de zijde van de moeder van 11 juli 2025.
1.2
Deze rechtbank heeft op 12 juni 2024 een verzoekschrift van de moeder ontvangen (zaaknummer C/15/353540 / FA RK 24-3011) waarin de moeder onder meer verzoekt de vader in de uitoefening van zijn gezag te schorsen en te bepalen dat de moeder gedurende de schorsing van het gezag alleen het gezag uitoefent. Ook heeft de moeder in het kader van deze procedure verzocht om voor de duur van de bodemprocedure (onderhavige procedure met zaaknummer C/15/345816 / FA RK 23-5385) het gezag van de vader te schorsen.
1.3
Bij beschikking van 24 juli 2024 heeft deze rechtbank – in het kader van de zaak met zaaknummer C/15/353540 / FA RK 24-3011 – de Raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag welke gezagsverhouding in het belang van [de minderjarige] is.
1.4
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 september 2025. Ter zitting was de moeder aanwezig, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was ter zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad.
De vader was, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig ter zitting.
1.5
[de minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een kindgesprek bij de rechtbank op 16 september 2025. Van dit gesprek is ter zitting kort en zakelijk verslag gedaan.

2.De feiten

2.1
De ouders zijn getrouwd geweest. Bij beschikking van 3 maart 2022 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Deze beschikking is op [datum] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Deze zaak heeft betrekking op het volgende minderjarige kind van de ouders: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3
Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de nationaliteit van [de minderjarige] onbekend is.
2.4
[de minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1
De moeder verzoekt het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat zij het gezag over [de minderjarige] alleen uitoefent. De moeder heeft het verzoek om het gezamenlijke gezag van de ouders over [de oudere broer van de minderjarige] , de oudere broer van [de minderjarige] , te beëindigen, ter zitting ingetrokken omdat [de oudere broer van de minderjarige] inmiddels 18 jaar is geworden.
3.2
Als onderbouwing van haar verzoek stelt de moeder dat de ouders sinds 2015 gescheiden van elkaar leven en geen contact meer hebben. De vader is niet betrokken in het leven van [de minderjarige] . Zij zien elkaar incidenteel bij oma (vz). Toch is de moeder nog steeds afhankelijk van de toestemming van de vader voor beslissingen over [de minderjarige] , onder meer voor vakanties, de aanvraag van een paspoort, inschrijving op een school en medische aangelegenheden. Dit heeft onder meer al langere tijd tot gevolg dat de moeder niet met [de minderjarige] op vakantie is gegaan. Ook andere gezagsbeslissingen kunnen niet of met vertraging worden genomen. Momenteel wacht de moeder op toestemming van de vader voor de aanmelding van [de minderjarige] voor een naturalisatietraject.
3.3
De vader heeft geen verweer gevoerd.

4.De beoordeling

4.1
Aangezien de moeder ter zitting het verzoek ten aanzien van [de oudere broer van de minderjarige] heeft ingetrokken, hoeft daarop niet meer te worden beslist.
Gezamenlijk gezag naar Nederlands recht
4.2
De rechtbank dient eerst te beoordelen of sprake is van gezamenlijk gezag. Zoals deze rechtbank eerder heeft overwogen in zijn tussenbeschikking van 24 juli 2024 was het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] nog niet in werking getreden, zodat de van rechtswege ontstane gezagsverhouding tussen [de minderjarige] en de ouders beheerst wordt door het destijds geldende verdrag, het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961. Volgens artikel 3 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 dient het recht van de staat van de nationaliteit van de minderjarige te worden toegepast bij de vaststelling of van rechtswege een gezagsverhouding is ontstaan. De nationaliteit van [de minderjarige] is onbekend. Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 voorziet niet in die situatie. Op grond van artikel 10:16 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt, indien het nationale recht van een natuurlijke persoon van toepassing is en de nationaliteit van de betrokken persoon niet kan worden vastgesteld, als zijn nationale recht het recht van de staat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat [de minderjarige] in Nederland geboren is en dat de ouders ook al voorafgaand aan de geboorte van [de minderjarige] in Nederland woonden. De rechtbank maakt daaruit op dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] al enige tijd in Nederland is. De rechtbank past daarom Nederlands recht toe op de gezagsverhouding over [de minderjarige] . Aangezien [de minderjarige] binnen het huwelijk van de ouders is geboren, is sprake van gezamenlijk gezag.
4.3
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd, zoals verzocht door de moeder.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.4
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de moeder de Somalische nationaliteit bezit. Voordat de rechtbank zich kan buigen over het verzoek van de moeder, moet worden beoordeeld – vanwege het internationale karakter van de zaak – of de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Deze beoordeling dient ambtshalve plaats te vinden. Het verzoek van de moeder ziet op de beëindiging van het gezamenlijke gezag. Dit betreft een geschil inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van de Verordening Brussel II ter. Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot verklaring voor recht had [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland, zodat de Nederlandse rechter ten aanzien van het verzoek rechtsmacht toekomt (artikel 7, eerste lid, Verordening Brussel II ter). De Nederlandse rechter zal Nederlands recht toepassen (artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Het wettelijk kader
4.5
Uit artikel 1:251a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter het gezag van een ouder kan beëindigen wanneer:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De beoordeling door de rechtbank
4.6
De rechtbank vindt het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat de moeder alleen het gezag over haar uitoefent. Hiervoor heeft de rechtbank de volgende redenen.
4.7
De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat tussen de ouders al jaren sprake is van een situatie waarin zij niet met elkaar communiceren. Bij de moeder is enkel een postadres van de vader bekend en zij beschikt niet over andere communicatiemiddelen om met hem in contact te treden. Hierdoor lukt het de moeder niet om de vader te bereiken op de momenten dat de moeder in overleg wil treden over gezagsbeslissingen die moeten worden genomen. De afwezigheid van de vader is ook geconstateerd door de Raad in het raadsonderzoek van 19 februari 2025. De Raad heeft grote zorgen over het feit dat op geen enkele wijze contact is te krijgen met de vader. De onbereikbaarheid van de vader heeft ertoe geleid dat de ouders de afgelopen jaren onvoldoende in staat zijn geweest om in gezamenlijk overleg te treden om gezagsbeslissingen te nemen over [de minderjarige] . Zo heeft de vader langere tijd geen toestemming verleend voor een vakantie met [de minderjarige] naar het buitenland. Ook andere gezagsbeslissingen – waaronder de aanmelding van [de minderjarige] voor een naturalisatietraject – zijn nog steeds afhankelijk van de toestemming van de vader en lopen hierdoor ernstige vertraging op of kunnen in het ergste geval niet worden genomen zonder vervangende toestemming van de rechtbank. Daarbij komt dat de vader op dit moment niet tot nauwelijks beschikt over informatie over [de minderjarige] . Dit gebrek aan informatie brengt met zich mee dat de vader onvoldoende zicht heeft op hetgeen [de minderjarige] nodig heeft. Hierdoor bestaat de verwachting dat de vader onvoldoende in staat zal zijn om gedegen gezagsbeslissingen over [de minderjarige] te kunnen nemen.
4.8
De rechtbank leidt hieruit de verwachting af dat gezamenlijk gezag ertoe zal leiden dat keer op keer geen (tijdige) gezagsbeslissingen kunnen worden genomen. Het zal voor de ouders (te) moeizaam of zelfs onmogelijk zijn om invulling te geven aan het gezamenlijk gezag. Gelet op de huidige onderlinge verhoudingen tussen de ouders en het gebrek aan informatie over [de minderjarige] aan de zijde van de vader, is de rechtbank van oordeel dat voortduring van het gezamenlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is. De moeder moet als hoofdopvoeder van [de minderjarige] in staat zijn om zo nodig snel en zonder vertraging gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Hierdoor ontstaat voor [de minderjarige] de nodige rust. Het is dan ook in het belang van [de minderjarige] dat de moeder het gezag over haar alleen uitoefent.
4.9
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder dus toe.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
Beëindigt met ingang van heden het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en bepaalt dat de moeder voortaan het gezag over [de minderjarige] alleen uitoefent;
5.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.