Eiser huurt een woning van Velison en klaagt over ernstige overlast veroorzaakt door haar buurvrouw, die meerdere malen is opgenomen in een GGZ-instelling. Over een periode van jaren heeft eiser herhaaldelijk melding gemaakt van overlast, waaronder nachtelijk bonken op deuren, ruzies en intimidatie. Velison heeft uiteindelijk een ontruimingsvonnis verkregen en de overlastgevende buurvrouw ontruimd.
Eiser vordert een materiële en immateriële schadevergoeding wegens gebrek in de huurovereenkomst, stellende dat Velison niet adequaat heeft opgetreden tegen de overlast. Velison erkent de overlast, maar betwist dat zij niet adequaat heeft gehandeld en stelt dat de vordering feitelijk neerkomt op een huurprijsvermindering waarvoor de termijn is verstreken.
De rechtbank stelt vast dat Velison als verhuurder gehouden is het huurgenot te waarborgen en overlast te bestrijden voor zover redelijkerwijs mogelijk. Hoewel er sprake was van ernstige en structurele overlast vanaf medio 2022, heeft Velison binnen een redelijke termijn en met de vereiste inspanningen gehandeld, waaronder het verkrijgen van een ontruimingsvonnis.
Daarom is geen sprake van een gebrek en is de vordering tot schadevergoeding niet toewijsbaar. Eiser wordt in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.