ECLI:NL:RBNHO:2025:11266

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
11159407 \ CV EXPL 24-3848
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie voor vertraagde vlucht en geldige overdracht van vorderingen

In deze zaak heeft AirHelp Germany GmbH compensatie gevorderd van Cathay Pacific Airways Limited vanwege een vertraagde vlucht op 27 september 2023. AirHelp stelt dat een aantal passagiers hun vorderingen aan haar hebben overgedragen, maar de vervoerder betwist de geldigheid van deze overdracht. De kantonrechter oordeelt dat de overdracht van vorderingen rechtsgeldig is, omdat aan de vereisten voor cessie is voldaan. De vervoerder heeft niet aangetoond dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen, waardoor hij verplicht is om de gevorderde compensatie van € 3.000,00 aan AirHelp te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. De vervoerder wordt ook veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitgesproken op 1 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11159407 \ CV EXPL 24-3848
Uitspraakdatum: 1 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn, Duitsland
eiseres
hierna te noemen: AirHelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof (Lof Legal Services)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Cathay Pacific Airways Limited
gevestigd te Hong Kong, China
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. de Wijs (De Clerq Advocaten Notariaat)
De zaak in het kort
AirHelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een vertraagde vlucht. Zij stelt dat een aantal passagiers hun vorderingen daartoe aan haar hebben overgedragen. De vervoerder betwist dat de passagiers de vorderingen (geldig) aan AirHelp hebben overgedragen. Dit betoog van de vervoerder slaagt niet. Daarnaast stelt de vervoerder dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Hij heeft echter niet gesteld dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen of te beperken. Daarom wordt de vordering van AirHelp toegewezen.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- het antwoord in incident;
- het vonnis in het incident van 11 december 2024;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[betrokkene 1] [betrokkene 2], [betrokkene 3] [betrokkene 4], [betrokkene 5] [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8] (hierna: de passagiers) hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 27 september 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Hong Kong, China, met vlucht CX270 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
AirHelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
AirHelp vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
AirHelp baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de passagiers hun eventuele vorderingsrechten aan haar hebben overgedragen en dat de vervoerder haar daarom en vanwege de vertraging van de vlucht de compensatie moet voldoen van € 600,- per persoon. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
AirHelp stelt dat de passagiers hun eventuele vorderingsrechten aan haar hebben overgedragen. Daartoe heeft zij een aantal ‘Assignment Forms’ overgelegd (hierna: de overdrachtsdocumenten). De vervoerder betwist dit.
4.3.
Voor een geldige overdracht van een vordering (cessie) zijn twee vereisten: een daartoe bestemde akte en mededeling aan de schuldenaar. [2] Aan het mededelingsvereiste is voldaan doordat de cessie bij dagvaarding of in ieder geval in deze procedure aan de vervoerder is medegedeeld. De vervoerder betwist echter dat de overdrachtsdocumenten geldige cessieaktes zijn. Daarom zou volgens hem de situatie zich voor kunnen doen dat een passagier in een eventuele tweede procedure de cessie betwist en dat de vervoerder de vordering twee keer zou moeten voldoen. De vervoerder betwist onder meer de echtheid van de handtekeningen van de passagiers op de overdrachtsdocumenten.
AirHelp heeft voldoende onderbouwd dat de handtekeningen afkomstig zijn van de passagiers
4.4.
De kantonrechter overweegt dat op AirHelp de last rust te bewijzen dat de vorderingen rechtsgeldig aan haar zijn overgedragen. Gelet op het verweer van de vervoerder rust op haar daarom onder meer de last te bewijzen dat de handtekeningen op de overdrachtsdocumenten afkomstig zijn van de passagiers.
4.5.
AirHelp stelt dat de handtekeningen afkomstig zijn van de passagiers. Dit blijkt volgens AirHelp uit het gegeven dat zij ook de boekingsbevestigingen en de paspoorten van de passagiers heeft overgelegd. Hierover zou zij niet beschikken als de passagiers de vorderingen niet aan haar hadden overgedragen, aldus AirHelp.
4.6.
De kantonrechter oordeelt dat AirHelp door het overleggen van de kopieën van de paspoorten en de boekingsbevestigingen voldoende heeft onderbouwd dat de handtekeningen afkomstig zijn van de passagiers. Dat in een andere kwestie de passagier ontkende dat hij AirHelp opdracht had gegeven de compensatie te innen, leidt niet tot de conclusie dat ook in dit geval aan de echtheid van de handtekeningen moet worden getwijfeld. Daarom kan AirHelp de overdrachtsdocumenten gebruiken ter onderbouwing van haar stelling dat de passagiers de vorderingen aan haar hebben overgedragen.
De overdrachtsdocumenten zijn voldoende bepaald
4.7.
Daarnaast moet een cessieakte voldoende bepaald zijn. Dit houdt in dat de te leveren vordering voldoende door de akte moet worden bepaald. [3] De vervoerder betwist dat de overdrachtsdocumenten voldoende bepaald zijn. Hij voert daartoe aan dat de overdrachtsdocumenten niet vermelden wie de schuldenaar van de vorderingen is en het dus niet duidelijk is of het gaat om vorderingen op de vervoerder. Daarnaast bevatten de documenten geen aanduiding van het vluchtnummer, maar slechts een boekingsreferentie van zes letters en cijfers. Deze code is niet uniek omdat deze codes in de loop van tijd worden hergebruikt. Ook is deze code niet specifiek voor een bepaalde luchtvaartmaatschappij. Daarom is alleen een boekingsreferentie ongeschikt om een specifieke vlucht mee aan te duiden, aldus de vervoerder.
4.8.
AirHelp heeft hier tegenin gebracht dat de combinatie van de boekingsreferenties, de namen en de paspoorten van de passagiers wel uniek is. Volgens haar is het nog nooit gebeurd dat een passagier voor verschillende vluchten twee keer dezelfde boekingsreferentie toegekend krijgt. Daarom maakt het niet uit dat de overdrachtsdocumenten niet de vervoerder als schuldenaar vermelden. Ten slotte kan de vervoerder zich altijd tegen een eventuele tweede vordering van een passagier verweren met een beroep op bevrijdende betaling, aldus AirHelp.
4.9.
De kantonrechter oordeelt dat het betoog van de vervoerder niet slaagt. Een vordering hoeft namelijk niet in de cessieakte zelf te worden gespecificeerd door vermelding van bijzonderheden als de naam van de debiteur. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. [4] Ook de administratie van de cedent kan bijvoorbeeld gebruikt worden om vast te stellen om welke vorderingen het gaat. [5] Daarom maakt de enkele omstandigheid dat de overdrachtsdocumenten niet de naam van de vervoerder vermelden, de overdrachtsdocumenten niet onvoldoende bepaald. Er kan namelijk ook worden vastgesteld om welke vlucht het gaat aan de hand van (bijvoorbeeld) de dagvaarding, waarin de vluchtgegevens staan vermeld.
4.10.
Het betoog van de vervoerder dat de boekingsreferentie niet uniek is, slaagt evenmin. Hij heeft namelijk de stelling van AirHelp dat de combinatie van de boekingsreferenties, de namen en de paspoorten van de passagiers voldoende is om te verwijzen naar deze specifieke vlucht, onvoldoende gemotiveerd betwist. In het bijzonder heeft hij op geen enkele manier onderbouwd dat deze boekingsreferenties meerdere keren bij dezelfde passagiers en dezelfde luchtvaartmaatschappij worden hergebruikt. Daarom maakt het gegeven dat de overdrachtsdocumenten alleen de boekingsreferenties vermelden, evenmin dat de overdrachtsdocumenten onvoldoende bepaald zijn. De boekingsreferentie vormt aldus voldoende ‘koppeling’ tussen de akte van cessie en de boekingsdocumenten van de passagiers.
4.11.
De conclusie is dat de overdrachtsdocumenten voldoende bepaald zijn. Daarom is er sprake van geldige cessieaktes. De cessie is medegedeeld aan de vervoerder. Dit betekent dat de passagiers de vorderingen (geldig) hebben overgedragen aan AirHelp.
De vervoerder heeft niet gesteld dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen of te beperken
4.12.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. [6]
4.13.
De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. De kantonrechter overweegt echter dat, ongeacht of de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, de vervoerder niet heeft onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te voorkomen of te beperken. Dit had wel op zijn weg gelegen, nu de stelplicht en de eventuele bewijslast daarvan op de vervoerder rusten. [7] Dit betekent dat ook als de vertraging het gevolg zou zijn geweest van buitengewone omstandigheden, de vervoerder moet compenseren.
De vordering wordt toegewezen
4.14.
Daarom zal de door AirHelp gevorderde hoofdsom worden toegewezen. De over de hoofdsom verzochte wettelijke rente is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.
4.15.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in het incident en in de hoofdzaak. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door AirHelp worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan AirHelp van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 september 2023 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van AirHelp tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;
griffierecht € 496,00;
salaris gemachtigde € 558,00 (2 x € 238 + € 82);
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 119,00 aan nakosten, voor zover AirHelp daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 7 van de Verordening.
2.Artikel 3:94 lid 1 BW.
3.HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488.
4.HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1488.
5.HR 19 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC3434.
6.Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
7.Artikel 150 Rv.