AirHelp vorderde compensatie van de vervoerder Cathay Pacific Airways vanwege een vlucht die op 27 september 2023 met meer dan drie uur vertraging aankwam op de eindbestemming. AirHelp stelde dat passagiers hun vorderingen tot compensatie aan haar hadden overgedragen. De vervoerder betwistte de geldigheid van deze cessie, met name de echtheid van handtekeningen en de voldoende bepaling van de overdrachtsdocumenten.
De rechtbank oordeelde dat AirHelp voldoende bewijs had geleverd dat de handtekeningen op de overdrachtsdocumenten van de passagiers afkomstig waren, mede door het overleggen van paspoorten en boekingsbevestigingen. Ook werd geoordeeld dat de cessieakte voldoende bepaald was, ondanks het ontbreken van de naam van de vervoerder en het gebruik van een boekingsreferentie die niet uniek leek, omdat de combinatie met passagiersgegevens voldoende uniek was.
De vervoerder voerde aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, maar stelde niet dat hij alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te voorkomen of te beperken. Dit leidde ertoe dat de vervoerder aansprakelijk bleef voor compensatie. De rechtbank veroordeelde de vervoerder tot betaling van € 3.000, vermeerderd met wettelijke rente, en tot vergoeding van proceskosten en nakosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.